Publicaties

Wijzigingen in de WMO 1992 door invoering van de WPO, WEC en deel II WVO

Artikel
Geplaatst op woensdag 15 augustus 2007 13:59

mr. A. Cluitmans en mr. M. G. de Bont, mr. R. H. Derksen, juni 2000

1. Inleiding
2. Wijzigingen in de WMO 1992
3. Toelichting op de wijzigingen
4. Achtergrondinformatie over de zorgstructuur
5. De bestuursmodellen voor een samenwerkingsverband

1. Inleiding
Met ingang van 1 augustus 1998 zijn de Wet op het primair onderwijs (WPO), de Wet op de Expertisecentra (WEC) en Deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) in werking getreden. In de WPO zijn de wettelijke bepalingen voor het basisonderwijs en het speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom), moeilijk lerende kinderen (mlk) en in hun ontwikkeling bedreigde kleuters (iobk) samengevoegd. Deze samenvoeging is het gevolg van de wettelijke regeling van de uitwerkingsnotitie in het kader van het "Weer Samen Naar School"-beleid (Kamerstukken II 1996/97, 21860, nr. 43). De overige categorieën scholen uit de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO) zijn per 1 augustus 1998 ondergebracht in de WEC. Voor de scholen voor voortgezet speciaal onderwijs voor lom en mlk is een regeling getroffen in een nieuw deel II van de WVO.
De invoering van de WPO, WEC en Deel II van de WVO heeft geleid tot een aantal wijzigingen in de Wet medezeggenschap onderwijs 1992. Deze wijzigingen worden in paragraaf 2 opgesomd en in paragraaf 3 nader toegelicht. De belangrijkste wijzigingen in de WMO, die het gevolg zijn van de invoering van WPO, betreffen de zorgstructuur. Hieraan wordt in paragraaf 4 speciale aandacht besteed.

2. Wijzigingen in de WMO 1992
Artikel 1 is als volgt gewijzigd:
Het eerste lid, onder b, luidt: b. "school": een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, als bedoeld in de Wet op de expertisecentra, een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school, cursus dan wel inrichting voor voortgezet onderwijs als bedoeld in deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs, een openbare of uit de openbare kas bekostigde bijzondere school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, een uit 's Rijks kas bekostigde instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs en een openbare of uit de openbare kas bekostigde school als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs;

Het eerste lid, onder d, luidt:
d. "leerlingen": leerlingen in de zin van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs en deelnemers in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs;.

Het eerste lid, onder f, luidt:
f. "schoolleiding": de directeur in de zin van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op de expertisecentra en de rector, directeur of de leden van de centrale directie in de zin van de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede de conrector of de adjunct-directeuren:.

Artikel 3, vijfde lid, onder a, luidt:
a. uit en door de ouders, voor zover het betreft een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs;.

Artikel 6, onderdeel d, is aangepast aan de nieuwe situatie en luidt nu als volgt: vaststelling van de schoolgids voor zover het een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, dan wel een school of instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs betreft, en voorzover het een school voor voortgezet onderwijs betreft, tevens de vaststelling van de schooltijden.

In artikel 8 wordt de oude tekst aangeduid als eerste lid. Verder is een tweede lid toegevoegd dat als volgt luidt:
2. Het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs dat tevens bevoegd gezag is van een of meer basisscholen behoeft de voorafgaande instemming van het deel van de medezeggenschapsraad dat uit en door het personeel van eerstgenoemde school is gekozen voor elk door hem te nemen besluit met betrekking tot de inzet van de formatie die op grond van artikel 122, eerste lid, onder c, van de Wet op het primair onderwijs aan eerstgenoemde school is toegekend.

In artikel 11, tweede, derde en vierde lid, is artikel 8 telkens vervangen door: artikel 8, eerste lid.

In artikel 13, tweede lid, zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
Artikel 22a, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs is vervangen door artikel 37, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs.
Artikel 30a, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is vervangen door artikel 37, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 40, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervangen door artikel 38a, tweede lid, van deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 157, eerste lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 15, derde lid, onder a, is als volgt gewijzigd:
Artikel 38, eerste lid, van de Wet op het basisonderwijs is vervangen door artikel 58, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs.
Artikel 47, eerste lid, van de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs is vervangen door artikel 60, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra.
Artikel 48, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs is vervangen door artikel 48, eerste lid, van deel I van de Wet op het voortgezet onderwijs of artikel 178, eerste lid, van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs.

In artikel 34, derde lid, is een school voor basisonderwijs vervangen door: een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs, dan wel instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs.

3. Toelichting op de wijzigingen
De meeste wijzigingen zijn technisch van aard en betreffen aanpassingen van benamingen van schoolsoorten en wetten aan de nieuwe terminologie in de WPO, de WEC en de WVO.

De belangrijkste wijziging van de WMO 1992 vloeit voort uit de extra aandacht die de WPO schenkt aan het opzetten van een zorgstructuur. Net als de WBO en de ISOVSO dat deden schrijft de WPO voor dat het bevoegd gezag voor elk van zijn scholen aangesloten is bij een samenwerkingsverband, zie artikel 13a WBO, artikel 21a ISOVSO en artikel 18 WPO. De inrichting en de doelstelling van het samenwerkingsverband zijn onder de WPO echter meer geconcretiseerd. Verder is er extra aandacht besteed aan het zorgplan, is er een geschillencommissie samenwerkingsverbanden ingesteld, dient elk samenwerkingsverband een permanente commissie leerlingenzorg in te stellen en dient er een reglement te worden opgesteld wanneer meerdere bevoegde gezagsorganen binnen een samenwerkingsverband samenwerken. In deze paragraaf wordt het effect van de zorgstructuur op de medezeggenschap behandeld. In paragraaf 4 wordt voor een goed begrip van gehele materie dieper op de zorgstructuur als zodanig ingegaan.

Instemmingsrecht PMR speciale school voor basisonderwijs ten aanzien van besluiten over de inzet zorgmiddelen

De speciale scholen voor basisonderwijs hebben in de WPO een bijzondere positie gekregen op het punt van besluiten over de inzet van de zorgformatie die door het Rijk aan deze scholen is toegekend. Op grond van artikel 20, tweede lid, onder a, WPO is de instemming van de bevoegde gezagsorganen van alle speciale scholen voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband vereist voor besluiten die binnen het samenwerkingsverband over de inzet van die formatie worden genomen. De wetgever is echter van mening dat deze regeling onvoldoende waarborg biedt voor het geval waarin een bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs ook bevoegd gezag is van een of meer basisscholen. Daarom is in het tweede lid van artikel 8 van de WMO 1992 voor deze situatie bepaald dat het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad van de speciale school een instemmingsrecht heeft ten aanzien van besluiten over de inzet van zorgmiddelen die aan die school zijn toegekend.

De wetgever is van mening dat de betrokkenheid van de ouders voldoende is verzekerd door het instemmingsrecht van de medezeggenschapsraad als geheel over het zorgplan, dat ingevolge artikel 19 WPO jaarlijks voor 1 mei voor het daaropvolgende schooljaar moet worden vastgesteld. Dit instemmingsrecht dat betrekking heeft op besluiten van het bevoegd gezag over de vaststelling of wijziging van het zorgplan, is neergelegd in artikel 6, eerste lid, onder b, van de WMO 1992.

Medezeggenschap ten aanzien van het overleg over en de instemming met het zorgplan

Met betrekking tot de wijze waarop over het zorgplan overleg plaatsvindt, kan nog het volgende worden opgemerkt.
In het geval dat verschillende bevoegde gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband dienen zij op grond van artikel 20, eerste lid, WPO in het reglement van het samenwerkingsverband een regeling op te nemen voor de wijze waarop over het zorgplan in het kader van de medezeggenschap overleg plaatsvindt. De wetgever raadt aan om in dit geval de medezeggenschap te clusteren, maar de wet schrijft op dit punt niets voor. Het staat dus vrij om bijvoorbeeld op het niveau van het samenwerkingsverband de afspraak te maken dat over een en ander in een gemeenschappelijk overlegorgaan van alle besturen en (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraden wordt gesproken om zo een goede afweging van belangen mogelijk te maken. Zo'n overlegplatform op het niveau van het samenwerkingsverband kan een belangrijke rol spelen bij de voorbereiding en afstemming van de medezeggenschapsprocedures, maar kan niet treden in de rechten van afzonderlijke medezeggenschapsraden.
Indien één bevoegd gezag zowel basisscholen als speciale scholen voor basisonderwijs onder zich heeft en deze scholen gezamenlijk ten minste 2000 leerlingen hebben - dat is de omvangseis die gesteld is in artikel 18, tweede lid, WPO - dan kunnen deze scholen een samenwerkingsverband vormen. Indien zij een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) hebben en de instemmingsbevoegdheid over het zorgplan door de afzonderlijke medezeggenschapsraden aan deze GMR is overgedragen, dan vindt het overleg over het zorgplan met de GMR plaats en is de instemming van de GMR vereist voor een besluit tot vaststelling of wijziging van het zorgplan. Wanneer er geen GMR is ingesteld, ziet het bevoegd gezag zich voor het probleem gesteld dat het met alle medezeggenschapsraden in overleg moet treden. De instemming voor het besluit tot vaststelling of wijziging van het zorgplan hangt in dit geval af van de instemming van elk van de afzonderlijke medezeggenschapsraden.
De wetgever geeft aan dat de besturenorganisaties door modellen voor een gemeenschappelijk overleg beschikbaar te stellen de totstandkoming van dit overleg zullen stimuleren. Wellicht kan een gemeenschappelijk overleg ook uitkomst bieden in het geval van een samenwerkingsverband van scholen die alle onder hetzelfde bevoegd gezag ressorteren maar waarvoor geen GMR is ingesteld.
Zie ook de hierna opgenomen bestuursmodellen voor een samenwerkingsverband.

Positie decentraal georganiseerd overleg

Uit artikel 20, eerste lid, onder c, WPO volgt dat de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraden geen bevoegdheid hebben daar waar het gaat om de arbeidsvoorwaarden en arbeidsvoorwaardelijke aspecten van medezeggenschapsaangelegenheden. Deze zaken vallen onder de exclusieve competentie van het DGO.

4. Achtergrondinformatie over de zorgstructuur
Zoals aangegeven vloeit de belangrijkste wijziging van de WMO 1992 voort uit de nieuwe zorgstructuur. Omdat de medezeggenschapsraden zeker met deze materie te maken hebben, wordt hieronder dan ook dieper op dit onderwerp ingegaan.

Inrichting samenwerkingsverband
Op grond van artikel 18 WPO moet het bevoegd gezag voor elk van zijn scholen aangesloten zijn bij een samenwerkingsverband met een of meer basisscholen én een of meer speciale scholen voor basisonderwijs. Van een samenwerkingsverband zonder speciale scholen voor basisonderwijs kan alleen sprake zijn als de minister daarvoor toestemming heeft gegeven. De scholen die samenwerken in een samenwerkingsverband dienen tezamen ten minste 2000 leerlingen te hebben. De minimumomvang heeft tot doel de kwaliteit van de zorg te verbeteren. Volgens de Memorie van Toelichting op de WPO biedt de minimumomvang de volgende voordelen: een efficiëntere regionale opvang van leerlingen met specifieke problemen; een bredere, meer gedifferentieerde zorgstructuur; betere waarborgen voor de deskundigheid van personeel; minder versnippering van betrekkingen; gemakkelijker opvangen van negatieve effecten van de verevening; het makkelijker opvangen van de effecten van grensoverschrijdend - dat wil zeggen tussen verschillende samenwerkingsverbanden plaatsvindend - (leerlingen)verkeer.
Deelnemer van een samenwerkingsverband als bedoeld in de WPO kan alleen een basisschool zijn of een speciale school voor basisonderwijs. De andere scholen voor speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs kunnen geen deel uitmaken van een samenwerkingsverband in de zin van artikel 18 van de WPO. Deze uitsluiting heeft te maken met de uitbreiding van de bevoegdheden van het samenwerkingsverband, met name ten aanzien van de verdeling van het zorgbudget. De uitsluiting wil niet zeggen dat samenwerking tussen scholen uit het samenwerkingsverband en scholen voor speciaal of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs niet is toegestaan.

Doelstelling samenwerkingsverband
Het samenwerkingsverband onder de WPO heeft tot doel een samenhangend geheel van zorgvoorzieningen binnen en tussen basisscholen en in samenwerking met speciale scholen voor basisonderwijs te realiseren. Dit moet op een zodanige wijze gebeuren dat zo veel mogelijk leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken.

Zorgplan
De bevoegde gezagsorganen die samenwerken in het samenwerkingsverband moeten jaarlijks voor 1 mei een zorgplan vaststellen voor het daaropvolgende schooljaar (artikel 19 WPO). Dit zorgplan dient in ieder geval de volgende zaken te bevatten:
1. De wijze waarop wordt voldaan aan artikel 18, eerste lid, WPO, dat wil zeggen de wijze waarop men gaat voorzien in een samenhangend geheel van zorgvoorzieningen dat tevens voldoet aan de eis dat zoveel mogelijk leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doormaken.
2. De wijze waarop de formatie, bedoeld in artikel 122, eerste lid onder c, WPO en artikel 132 WPO - het gaat hier om de zorgformatie - en het daaraan gerelateerde personeel worden ingezet, alsmede de basisscholen waaraan de formatie, bedoeld in artikel 132, wordt overgedragen.
3. De beoogde en bereikte kwalitatieve en kwantitatieve resultaten ten aanzien van de onderwijskundige opvang van de leerlingen die extra zorg behoeven.
4. De samenstelling, werkwijze en financiering van een permanente commissie leerlingenzorg als bedoeld in artikel 23 WPO. Deze commissie bepaalt op aanvraag van de ouders of plaatsing van een leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is.
5. De procedures voor onderzoek van leerlingen en plaatsing van leerlingen op een speciale school voor basisonderwijs.
6. De wijze waarop aan de ouders informatie wordt verstrekt over de zorgvoorzieningen en de criteria die de permanente commissie leerlingenzorg hanteert.
7. De wijze waarop de ouders in de gelegenheid worden gesteld informatie te verstrekken aan de permanente commissie leerlingenzorg.
8. De wijze waarop de permanente commissie leerlingenzorg informatie verstrekt aan de klachtencommissie.

Het zorgplan moet voor 15 mei voorafgaand aan het schooljaar waarop het betrekking heeft worden toegezonden aan de inspectie.

Reglement
Wanneer meerdere bevoegde gezagsorganen samenwerken in een samenwerkingsverband stellen zij een reglement vast (artikel 20 WPO). Het reglement bevat in elk geval een regeling voor de volgende onderwerpen:
1. De wijze waarop het zorgplan wordt vastgesteld.
2. De wijze waarop over het zorgplan in het kader van de medezeggenschap overleg plaatsvindt. Zie paragraaf 3.
3. De wijze waarop over de arbeidsvoorwaardelijke aspecten van het zorgplan decentraal georganiseerd overleg wordt gevoerd. Het DGO heeft op dit punt een exclusieve competentie.
4. De wijze waarop wordt bepaald of de situaties bedoeld in de artikelen 118 en 124 WPO, zich voordoen, waaronder de vaststelling van de in artikel 124, eerste en tweede lid, bedoelde peildatum, die is gelegen in de periode van 2 oktober tot en met 31 juli daaropvolgend. Op grond van de artikelen 118 en 124 WPO zijn de gewone basisscholen verplicht om middelen voor materiële instandhouding en formatie over te dragen aan de speciale scholen voor basisonderwijs indien in een samenwerkingsverband meer leerlingen zijn ingeschreven bij een speciale school voor basisonderwijs dan 2% van het totale aantal leerlingen in het samenwerkingsverband. Het bedrag en het aantal fre's dat voor elke leerling in het speciaal basisonderwijs boven de norm van 2% moet worden overgedragen, is bepaald in het programma van eisen en het Formatiebesluit WPO. In het reglement dient geregeld te worden op welke wijze de overschrijding van de 2% norm wordt vastgesteld. Hierbij hoort ook het vaststellen van een peildatum. Bij het bepalen van deze peildatum moet rekening worden gehouden met de te volgen medezeggenschapsprocedure over de besteding van de formatieve middelen
5. De wijze waarop wordt vastgesteld wat het aandeel van de onderscheiden scholen is in de overdracht van de vergoeding voor materiële instandhouding in een situatie als bedoeld in artikel 118 en (tenzij de centrale dienst hiermee is belast) van fre's in een situatie als bedoeld in artikel 124, zesde of zevende lid, of artikel 125, zesde lid, WPO. Omdat de WPO enkel voorschrijft dat de basisscholen bij overschrijding van de 2% norm geld en fre's moeten overmaken, moet in het reglement worden bepaald op welke basisscholen deze verplichting rust en om hoeveel geld en fre's het daarbij gaat. Artikel 125 schrijft voor dat wanneer de permanente commissie leerlingenzorg van een samenwerkingsverband van mening is dat een leerling van een basisschool binnen het verband dient te worden geplaatst op een speciale school voor basisonderwijs buiten het verband, het samenwerkingsverband fre's moet overdragen aan de speciale school. Ook hier dient in het reglement te worden bepaald welke scholen fre's moeten overdragen en wat het aandeel van elk van deze scholen is. Wanneer er een centrale dienst is belast met de overdracht van fre's in de hier genoemde gevallen, dan dient in het reglement te worden bepaald wat de wijze is waarop het aandeel van de scholen is in de overdracht aan de centrale dienst wordt vastgesteld.
6. De wijze waarop besluiten worden genomen en het aantal stemmen dat aan elk afzonderlijk bevoegd gezag wordt toegekend. Bij de vaststelling van de wijze waarop besluiten worden genomen, wordt op grond van artikel 20, tweede lid, WPO in het reglement als hoofdregel opgenomen dat de besluitvorming plaatsvindt bij meerderheid van stemmen. Als uitzondering hierop dient te worden bepaald dat bij besluiten over de inzet van zorgmiddelen die de speciale scholen rechtstreeks van het Rijk ontvangen en bij besluiten over de samenvoeging van speciale scholen, de instemming van alle betrokken speciale scholen nodig is. Verder dient te worden bepaald dat bij besluiten tot wijziging van het reglement de instemming is vereist van alle betrokken bevoegde gezagsorganen.
7. Het reglement kan voorzien in een regeling waarbij geschillen als bedoeld in artikel 22, vierde lid, WPO (zie hieronder) worden voorgelegd aan een geschillencommissie die door het samenwerkingsverband al dan niet tezamen met andere samenwerkingsverbanden is ingesteld. Indien een dergelijke regeling niet wordt getroffen is de landelijke geschillencommissie voor samenwerkingsverbanden, welke door de minister op grond van artikel 22, eerste lid, WPO is ingesteld, bevoegd.

Geschillencommissie samenwerkingsverbanden
De Minister van OCenW heeft een landelijke geschillencommissie voor samenwerkingsverbanden ingesteld. Deze commissie kan een voor de bevoegde gezagsorganen binnen een samenwerkingsverband bindende uitspraak doen over:
- besluiten en handelingen met betrekking tot de totstandkoming van het reglement van het samenwerkingsverband;
- besluiten en handelingen in het kader van het samenwerkingsverband;
- de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een speciale school voor basisonderwijs met een besluit over de inzet van de speciale zorgformatie van speciale scholen voor basisonderwijs; en
- de weigering van instemming door het bevoegd gezag van een school met een besluit tot wijziging van het reglement of tot algehele samenvoeging met een ander verband.

Zoals hiervoor al is opgemerkt kan een samenwerkingsverband, eventueel samen met een ander samenwerkingsverband, ook zelf besluiten tot het instellen van een geschillencommissie. Een regeling hiervoor moet worden opgenomen in het reglement van het samenwerkingsverband.

Permanente commissie leerlingenzorg
Elk samenwerkingsverband dient een permanente commissie leerlingenzorg in te stellen. Deze commissie bepaalt op aanvraag van de ouders of plaatsing van een leerling op een speciale school voor basisonderwijs noodzakelijk is. Deze taak kan verder door het samenwerkingsverband worden uitgebreid. Hierbij kan worden gedacht aan advisering over verwijzing naar een andere basisschool of aan het doen van concrete aanbevelingen voor de wijze waarop de leerling wordt opgevangen binnen een basisschool.

5. De bestuursmodellen voor een samenwerkingsverband
Het ministerie van OCenW heeft een aantal bestuursmodellen opgesteld waarin vorm gegeven wordt aan een samenwerkingsverband in de zin van artikel 20 WPO. Het betreft zes modellen, die hierna zijn opgenomen.
In model I wordt de samenwerking vastgelegd in een overeenkomst en reglement. Hier is geen sprake van een aparte rechtspersoon. Model IV betreft één bevoegd gezag dat met zijn scholenbestand voldoet aan de wettelijke eisen voor een samenwerkingsverband. Het bevoegd gezag is hier gelijk aan het samenwerkingsverband. In de overige vier modellen heeft het samenwerkingsverband de vorm van een aparte rechtspersoon, hetzij een vereniging hetzij een stichting. De "plus-vorm" betreft federaties die krachtens hun doelstelling tevens een of meer aan het samenwerkingsverband deelnemende speciale scholen voor basisonderwijs in stand houden.

In de leeswijzer bij de bestuursmodellen wordt vermeld dat uitgegaan is van het wetsvoorstel WPO zoals dat aan de Eerste Kamer is voorgelegd.
Inmiddels zijn de artikelen van de WPO vernummerd. Voorzover hier van belang vindt u hieronder de actuele nummering.

Vermelding in de modellen WPO
art. 11b (klachtencommissie) art. 14
art. 13a (samenwerkingsverband) art. 18
art. 13b (zorgplan) art. 19
art. 13c (reglement samenwerkingsverband) art. 20
art. 13c1 (centrale dienst samenwerkingsverband) art. 21
art. 13d (geschillencommissie) art. 22
art. 13e (permanente leerlingencommissie) art. 23
art. 40 (commissie van beroep) art. 62
art. 95b (overdracht vergoeding materiële instandhouding) art. 118
art. 95b1 (grondslag formatie personeel speciale scholen voor basisonderwijs) art. 122
art. 96c1 (overdracht fre's aan speciale school voor basisonderwijs) art. 124
art. 96c2 (overdracht fre's bij overgang leerling naar ander samenwerkingsverband) art. 125
art. 96h (gezamenlijke zorgformatie basisscholen) art. 132

lettergrootte: normaal | groter | extra groot
RSS nieuwsfeed
afdrukweergave