Publicaties
Veranderingen in het voortgezet en voortgezet speciaal onderwijs
mr. M. de Bont-Hanenkamp en mr. A. Cluitmans-Souren, december 1999
De leerwegen in de hogere leerjaren van het mavo en vbo, de integratie van het voortgezet en het voortgezet speciaal onderwijs middels het tot stand brengen van samenwerkingsverbanden en het inrichten van het leerwegondersteunend onderwijs, orthopedagogisch-didactische centra en praktijkonderwijs
1. Algemeen
2. De samenwerkingsverbanden
3 De leerwegen en sectoren in het mavo en vbo
4. Het leerwegondersteunend onderwijs
5. Het praktijkonderwijs
6. Het zorgbudget en zorgplan
7. Medezeggenschap
8. Netwerken vmbo
1. Algemeen
De Wet tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de invoering van leerwegen in de hogere jaren van het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede van leerwegondersteunend en praktijkonderwijs (25 mei 1998, Stb. 337) is per 1 augustus 1998 van kracht geworden.
Zoals de naam van de wet al aanduidt is de WVO (Wet op het voortgezet onderwijs) ten gevolge van deze wet gewijzigd. Naast wijzigingen die het mavo, het vbo en ivbo (individueel voorbereidend beroepsonderwijs) betreffen, bevat de wet bepalingen die ertoe leiden dat het vso-lom (voortgezet speciaal onderwijs voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden) en het vso-mlk (voortgezet speciaal onderwijs voor moeilijk lerende kinderen) binnen het voortgezet onderwijs een nieuwe positie krijgen.
Het doel van de ingrijpende veranderingen in het mavo, vbo, ivbo en vso is de kansen en mogelijkheden van de leerlingen in deze onderwijssoorten - en dat betreft 60% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs - te vergroten en tevens de integratie van het voortgezet en het voortgezet speciaal onderwijs tot stand te brengen.
Het mavo en vbo, die als onderwijssoorten in de WVO zijn gehandhaafd, krijgen ten gevolge van deze vernieuwing uitdrukkelijker het karakter van voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. Daarnaast blijft het mogelijk vanuit het mavo door te stromen naar het havo mits het vakkenpakket aan bepaalde eisen voldoet. Een school voor mavo, of voor vbo, of een scholengemeenschap met mavo of vbo, kan de aanduiding mvbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) in haar naam voeren (artikel 21, eerste lid WVO).
In de hogere leerjaren van het mavo en vbo wordt aansluitend op de basisvorming het leerwegstelsel ingevoerd, dat middels een gedifferentieerd programma-aanbod voorbereidt op de verschillende vormen van vervolgonderwijs. Het is de bedoeling dat een betere doorstroom tot stand komt van mavo en vbo naar het mbo (middelbaar beroepsonderwijs).
Het ivbo en de hiervoor genoemde vormen van voortgezet speciaal onderwijs verdwijnen op termijn doordat zij worden omgevormd, hetzij tot leerwegondersteunend onderwijs, dat dient als hulpstructuur voor het onderwijs in een van de leerwegen in het mavo en vbo, hetzij tot een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc) of tot een school of afdeling voor praktijkonderwijs. Over deze omvorming van het speciaal onderwijs en de integratie ervan in het voortgezet onderwijs gaan de paragrafen 4 en 5.
Deze ingrijpende veranderingen worden gerealiseerd in de periode van 1 augustus 1998-1 augustus 2002 binnen de bestuurlijke samenwerkingsverbanden waarvan elk bevoegd gezag van een school of scholengemeenschap met één of meer van de bovengenoemde onderwijssoorten sinds 1 januari 1999 deel uitmaakt.
2. De samenwerkingsverbanden (artikel 10h WVO en de overgangsbepaling art. XIII)
Al sinds enkele jaren worden bevoegde gezagsorganen in het voortgezet onderwijs middels een stimuleringsbijdrage ertoe aangezet om de krachten te bundelen door het vormen van samenwerkingsverbanden. Was deze samenwerking nog op vrijwillige basis, sinds 1 januari 1999 is elk bevoegd gezag van een school voor, of scholengemeenschap met mavo, vbo en/of vso verplicht aangesloten bij een samenwerkingsverband (swv). Wanneer de omvorming van het ivbo en vso voltooid is (uiterlijk per 1 augustus 2002) moet een samenwerkingsverband qua omvang en samenstelling aan de volgende eisen voldoen.
Het moet bestaan uit tenminste drie zelfstandige scholen of scholengemeenschappen én het moet tenminste één school of afdeling voor praktijkonderwijs en drie scholen (zelfstandig of deel uitmakend van een scholengemeenschap) voor mavo of vbo, waaronder in ieder geval één school voor mavo en één school voor vbo, omvatten. Eén zeer brede scholengemeenschap kan dus niet op zichzelf een samenwerkingsverband vormen, ook al omvat die scholengemeenschap alle genoemde onderwijssoorten. Dit hangt samen met de beoogde gezamenlijke verantwoordelijkheid van de scholen voor leerlingen in de regio. Die verantwoordelijkheid betreft:
- een toereikende organisatie en deskundige ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen in de regio voor wie een orthopedagogische en orthodidactische benadering nodig is en
- de overdracht van deskundigheid op dit gebied tussen de scholen in het samenwerkingsverband.
De aangesloten bevoegde gezagsorganen sluiten hiertoe een samenwerkingsovereenkomst, stellen een samenwerkingsreglement en een zorgplan op, stellen een permanente commissie leerlingzorg (pcl) in, en maken onderling afspraken over het toelaten en verwijzen van leerlingen binnen het samenwerkingsverband.
De wijze waarop aan de samenwerking en de zorgtaken vorm wordt gegeven is overgelaten aan de samenwerkingsverbanden zelf. Er zijn verschillende opties mogelijk die onderling verschillen voor wat betreft de aard en reikwijdte van de samenwerking.
De brochure Samenwerkingsverband, zorgstructuur en bestuurlijke vormgeving, basismodellen en opdc van het ministerie OC&W (juni 1998) geeft informatie over de modellen waarmee binnen een samenwerkingsverband vorm kan worden gegeven aan de zorgstructuur, de juridische vormgeving van het samenwerkingsverband zelf en het beheer en de financiering van een bovenschoolse voorziening.
De basismodellen voor een zorgstructuur zijn:
1. het samenwerkingsmodel waarbij de door de wet opgedragen taken behoren tot het zorgaanbod van de afzonderlijke scholen en de samenwerking is gericht op het onderling afstemmen van eigen beleid en onderlinge dienstverlening;
2. het expertisemodel waarbij er, gecombineerd met het eigen zorgaanbod van de afzonderlijke scholen, een bovenschoolse voorziening is waarin expertise is gebundeld;
3. het voorzieningenmodel waarbij er, gecombineerd met het eigen zorgaanbod van de afzonderlijke scholen, een bovenschoolse voorziening is waarin expertise gebundeld is en die tevens gericht is op de mogelijkheid om tijdelijk leerlingen op te vangen op een afzonderlijke locatie.
Voor wat betreft de juridische vorm van het samenwerkingsverband kan worden volstaan met een overeenkomst en reglement waarin de verplichtingen van de deelnemers zijn vastgelegd. Een andere mogelijkheid is de samenwerking de vorm te geven van een aparte rechtspersoon, een stichting of vereniging. Deze rechtspersoon treedt zelfstandig op en oefent taken uit ten behoeve van het samenwerkingsverband. De keuze voor de ene of de andere vorm is mede afhankelijk van het gekozen model voor de zorgstructuur. Blijkens de hiervoor genoemde Brochure van het ministerie van OC&W is in het Technisch Overleg afgesproken dat, indien de deelnemers van een samenwerkingsverband hun taken en bevoegdheden wensen over te dragen aan een gezamenlijk in te stellen orgaan (een orthopedagogisch-pedagogisch centrum), het samenwerkingsverband in ieder geval een rechtspersoon dient te zijn. Die rechtspersoon is dan verantwoordelijk voor de aansturing van het opdc.
Los van de juridische vorm van het samenwerkingsverband zelf is in de wet bepaald dat alle scholen binnen een samenwerkingsverband moeten zijn aangesloten bij dezelfde centrale dienst. Een centrale dienst heeft altijd de vorm van een rechtspersoon met volledige rechtspersoonlijkheid, met als doel het zonder winstoogmerk tegen vergoeding verrichten van werkzaamheden ten behoeve van scholen. Op het personeel in dienst van de centrale dienst zijn dezelfde arbeidsvoorwaarden van toepassing als die welke gelden voor het personeel van de aangesloten scholen. De centrale dienst wordt niet bekostigd door de overheid maar wordt in stand gehouden middels bijdragen van de bevoegde gezagsorganen die van de centrale dienst gebruikmaken.
Voor de deelnemers van een samenwerkingsverband is de aansluiting bij een centrale dienst weliswaar verplicht, maar ook hier is aan henzelf overgelaten hoe zij vorm en inhoud geven aan de relatie met de centrale dienst. Een bevoegd gezag kan de centrale dienst (mee) in standhouden of zich aansluiten middels een overeenkomst. De centrale dienst kan "leeg" zijn, dat wil zeggen niet actief, maar het behoort ook tot de mogelijkheden om bij de centrale dienst een bovenschoolse voorziening onder te brengen, of het samenwerkingsverband en de centrale dienst in één rechtspersoon onder te brengen, die verantwoordelijk is voor de onderscheiden taken.
3. De leerwegen en sectoren in het mavo en vbo (art. 10 - 10d WVO)
In de hogere leerjaren van het mavo en vbo worden drie leerwegen onderscheiden: de theoretische, de basisberoepsgerichte, kaderberoepsgerichte en de gemengde leerweg. Deze varianten komen tegemoet aan het verschil in behoefte van de leerlingen aan hetzij een meer theoretisch hetzij een meer beroepsgericht accent in de opleiding.
Binnen een leerweg wordt gekozen voor één van de vier volgende sectoren: techniek, zorg en welzijn, economie, landbouw.
Met het onderwijs in één van de leerwegen wordt gestart na afsluiting van de vakken van de basisvorming. Dit kan zijn met ingang van het derde leerjaar, maar in elk geval moet de start uiterlijk aan het begin van het vierde leerjaar gemaakt worden.
De theoretische leerweg wordt gegeven in scholen voor mavo en in scholengemeenschappen met mavo.
De beroepsgerichte leerwegen worden gegeven in scholen voor vbo en in scholengemeenschappen met vbo.
Voor de gemengde leerweg ten slotte geldt als hoofdregel dat deze kan worden aangeboden in scholengemeenschappen met zowel mavo als vbo. Onder bepaalde - door de minister vastgestelde - voorwaarden kan echter op verzoek van een bevoegd gezag toegestaan worden dat een gemengde leerweg wordt aangeboden in een categoriale school voor mavo of vbo. Een dergelijke toestemming heeft een beperkte geldingsduur, namelijk voor de periode 1999-2002. De voorwaarden zijn gepubliceerd in Uitleg regelingen 1998, nr. 23.
De leerwegen bieden een vooropleiding voor het beroepsonderwijs als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). In dat artikel worden de volgende soorten beroepsopleidingen genoemd, die voor opeenvolgende niveaus van beroepsuitoefening kwalificeren (van laag naar hoog):
a. de assistentopleiding (1/2-1 jaar);
b. de basisberoepsopleiding (2-3 jaar);
c. de middenkaderopleiding (3-4 jaar);
d. de specialistenopleiding als vervolg op een afgeronde, vakopleiding (1-2 jaar);
e. de vakopleiding (2-4 jaar);
f. andere opleidingen (minimaal 15 weken).
De theoretische, kaderberoepsgerichte en gemengde leerwegen bieden een voorbereiding op middenkader- en vakopleidingen in het beroepsonderwijs die verwant zijn aan de gekozen sector, terwijl de basisberoepsgerichte leerweg voorbereidt op een basisberoepsopleiding.
De theoretische leerweg biedt daarnaast met een speciaal vakkenpakket de mogelijkheid door te stromen naar het havo.
In artikel 10c WVO worden de afdelingen genoemd die de onderscheiden sectoren in de beroepsgerichte leerweg kunnen omvatten.
De gemengde leerweg onderscheidt zich van de theoretische leerweg doordat de leerling de mogelijkheid heeft om in het vrije deel van het vakkenpakket onderdelen, afdelingsvakken of intra-sectorale programmaonderdelen van het onderwijsprogramma van de beroepsgerichte leerweg op te nemen die bij de door de leerling gekozen sector passen.
Het onderwijs van elke leerweg bestaat uit een gemeenschappelijk deel dat voor alle sectoren van de betreffende leerweg gelijk is, een sectordeel en een vrij deel.
De vakken in het gemeenschappelijk gedeelte zijn verplicht. Het programma van elk van de leerwegen voorziet in onderwijs gericht op een algemene maatschappelijke voorbereiding en persoonlijke vorming. Binnen het sectorspecifieke deel kan het bevoegd gezag in bepaalde gevallen een keuze maken uit het aanbod van vakken, terwijl ook de leerling ten aanzien van bepaalde vakken een keuzemogelijkheid is gelaten. In het vrije deel is de vakkenkeuze binnen zekere grenzen in beginsel aan de leerling voorbehouden.
4. Het leerwegondersteunend onderwijs (artikel 10e WVO) en het orthopedagogisch-didactisch centrum (artikel 10h, lid 3, WVO)
Tot 1 augustus 1998 was het (voortgezet) speciaal onderwijs geregeld in de Interimwet speciaal en voortgezet speciaal onderwijs (ISOVSO). De wetgeving betreffende het vso-lom en vso-mlk (alsook het vso-zmok) is met ingang van de genoemde datum ondergebracht in deel II van de WVO. In feite zijn in deel II WVO de bepalingen van de ISOVSO overgenomen. Het onderbrengen van deze onderwijssoorten in de WVO is de eerste stap in het proces van de omvorming van dit onderwijs tot leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs, respectievelijk orthopedagogisch-didactisch centrum.
Met de invoering van het leerwegondersteunend onderwijs wordt beoogd de systeemscheiding tussen het regulier en speciaal onderwijs te doorbreken. Het leerwegondersteunend onderwijs gaat fungeren als hulpstructuur in het voortgezet onderwijs en krijgt deze functie binnen één van de samenwerkingsverbanden die per 1 januari 1999 gevormd zijn. Het is aangepast onderwijs (zorg-op-maat-programma) dat wordt aangeboden aan leerlingen in het mavo en vbo, waardoor deze leerlingen de mogelijkheid krijgen het mavo of vbo met goed gevolg te voltooien. Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor leerlingen die, hetzij met kortlopende of incidentele hetzij met langdurige en meer structurele hulp, in staat worden geacht het onderwijs in een van de leerwegen af te ronden met een diploma of met een belangrijk aantal certificaten.
Over de toelaatbaarheid tot het leerwegondersteunend onderwijs beslist de permanente commissie leerlingzorg (pcl) van het samenwerkingsverband. In de overgangsfase, van 1 augustus 1999 tot een door de Minister te bepalen datum, wordt deze taak echter uitgeoefend door de regionale verwijzingscommissies (rvc's) die ook over de toelaatbaarheid tot het praktijkonderwijs beslissen. In Uitleg regelingen 1999, nr. 1, is de "Tijdelijke regeling regionale verwijzingscommissies voortgezet onderwijs" gepubliceerd. Evenals bij de regionale verwijzingscommissies in het kader van Weer Samen Naar School in het primair onderwijs het geval was, worden de rvc's voor het voortgezet onderwijs aangehaakt bij de onderwijsbegeleidingsdiensten. Naar verwachting zal voor 16 verwijzingscommissies een verzoek om erkenning door de onderwijsbegeleidingsdiensten worden ingediend. Te zijner tijd zal bij algemene maatregel van bestuur een definitieve regeling voor de rvc's worden gegeven.
Het leerwegondersteunend onderwijs wordt zowel in de eerste leerjaren van het mavo en vbo, ter voorbereiding op het onderwijs in de leerwegen, als in de leerwegen zelf verzorgd. Het dient méér te omvatten dan hetgeen de scholen voor de invoering van het leerwegondersteunend onderwijs gewend waren te bieden aan ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van huiswerkbegeleiding of taakopdrachten. Het leerwegondersteunend onderwijs kan georganiseerd worden binnen klassenverband of in afzonderlijke klassen. Het kan gesitueerd zijn in een apart gebouw, dat als nevenvestiging van een vo-school fungeert. Zo'n nevenvestiging kan tevens kunnen dienen als locatie voor een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc).
Het ivbo en het vso-lom kunnen tot leerwegondersteunend onderwijs worden omgevormd. De omvorming vindt plaats in verschillende stappen die in de periode van 1 augustus 1998 tot 1 augustus 2002 moeten plaatsvinden.
Met ingang van 1 augustus 1998 zijn scholen en afdelingen voor ivbo van rechtswege omgezet in afdelingen, respectievelijk scholen, voor leerwegondersteunend onderwijs. Eveneens sinds 1 augustus 1998 worden scholen en afdelingen voor vso-lom en vso-mlk aangeduid als scholen, respectievelijk afdelingen, voor speciaal voortgezet onderwijs (svo).
Sinds 1 januari 1999 dient het bevoegd gezag van een school voor, of een scholengemeenschap met een afdeling voor mavo, vbo of svo aangesloten te zijn bij een samenwerkingsverband.
De afdelingen of scholen voor leerwegondersteunend onderwijs, die zijn voortgekomen uit het ivbo en de scholen respectievelijk afdelingen voor svo, hebben vervolgens tot 1 augustus 2002 de gelegenheid te kiezen voor een toekomst als afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs of als school respectievelijk afdeling voor praktijkonderwijs.
Als derde mogelijkheid kan een svo-school of -afdeling binnen een samenwerkingsverband gaan functioneren als een orthopedagogisch-didactisch centrum (opdc). De leerlingen van de svo-school of -afdeling die gaat functioneren als opdc moeten worden ingeschreven bij een van de scholen binnen het samenwerkingsverband waaraan een afdeling voor leerwegondersteunend onderwijs is verbonden.
In dit geval besluiten de bevoegde gezagsorganen binnen het samenwerkingsverband de taken en bevoegdheden met betrekking tot de organisatie en deskundige ondersteuning van het onderwijs voor kinderen voor wie een orthopedagogische of orthodidactische benadering geboden is, over te dragen aan een door hen gezamenlijk in te stellen orgaan, het opdc. In de praktijk betekent dit dat aan het samenwerkingsverband de vorm van een rechtspersoon moet zijn gegeven die verantwoordelijk is voor de beleidsmatige aansturing van de bovenschoolse voorziening.
Een opdc is een bovenschoolse voorziening, waarbij twee vormen onderscheiden kunnen worden: het expertisemodel dat voorziet in een bundeling van deskundigheid die bovenschools inzetbaar is en het voorzieningenmodel, waarin naast de bundeling van expertise ook de mogelijkheid bestaat voor tijdelijke opvang van leerlingen op een afzonderlijke locatie.
Er is niet voorzien in een afzonderlijke bekostiging van het opdc van overheidswege; het opdc dient door de in het samenwerkingsverband deelnemende bevoegde gezagsorganen te worden bekostigd. Met het oog hierop moeten in ieder geval binnen het samenwerkingsverband meerjarige financiële afspraken gemaakt worden waarin de financiering van de bovenschoolse taken en activiteiten geregeld is. Het personeel is in dienst van de rechtspersoon die de opdc beheert - dat kan een centrale dienst zijn - of van één van de - in het samenwerkingsverband deelnemende - bevoegde gezagsorganen.
5. Het praktijkonderwijs (artikelen 10f en 10g WVO)
Het praktijkonderwijs is een afzonderlijke schoolsoort binnen de WVO. Het wordt gegeven in scholen voor praktijkonderwijs, of in een afdeling voor praktijkonderwijs die verbonden is aan een school voor vbo of een scholengemeenschap met vbo.
Voor het svo-mlk is omzetting tot praktijkonderwijs de enige mogelijkheid.
Dit onderwijs is bedoeld voor leerlingen van wie vaststaat dat zij overwegend een orthopedagogische en orthodidactische benadering behoeven en voor wie het volgen van het onderwijs in één van de leerwegen al dan niet in combinatie met leerwegondersteunend onderwijs niet zal leiden tot afronding met een diploma of certificaten. Met andere woorden: voor deze leerlingen is het eerstefaseonderwijs tevens eindonderwijs. Slechts in uitzonderingsgevallen zal het volgen van een vervolgopleiding in het beroepsonderwijs tot de mogelijkheden behoren.
Voor toelating tot het praktijkonderwijs is een voorwaarde dat een regionale verwijzingscommissie (rvc) bepaald heeft dat de leerling tot deze vorm van onderwijs toelaatbaar is.
6. Het zorgbudget en zorgplan
De scholen en afdelingen svo (de voormalige vso-scholen en -afdelingen) worden gedurende de periode dat zij svo-scholen en -afdelingen zijn, bekostigd op basis van de voorschriften van de ISOVSO, die zijn opgenomen in deel II WVO. Ook in geval van een samenvoeging met een vo-school nemen zij de oude ISOVSO-bekostiging mee.
In een ministeriële regeling (Uitleg regelingen 1998 nr. 24) wordt de bekostiging geregeld voor de periode die loopt vanaf de omzetting in afdelingen voor leerwegondersteunend onderwijs tot 1 augustus 2002. Voor de periode daarna wordt een regeling getroffen waarbij in aanvulling op de reguliere vergoeding een bedrag wordt vastgesteld en uitgekeerd ten behoeve van leerlingen die leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs volgen. Vanaf die datum is er sprake van een zorgbudget dat in hoofdzaak zal zijn opgebouwd uit het bovenreguliere deel van de bekostiging van het oude ivbo en vso. Voor de inzet van de zorgmiddelen, die geoormerkt zijn, zijn de bevoegde gezagsorganen van het samenwerkingsverband gezamenlijk verantwoordelijk.
Het zorgplan moet door het samenwerkingsverband jaarlijks vóór 1 juni bij OC&W worden ingediend. In artikel 10h, vijfde lid, WVO zijn de onderwerpen genoemd waarover het zorgplan ten minste voorzieningen dient te bevatten:
- de maatregelen die zijn getroffen om zoveel mogelijk leerlingen die een orthopedagogische en -didactische benadering nodig hebben te laten deelnemen aan het onderwijs in een van de leerwegen in een van de in de het samenwerkingsverband deelnemende scholen;
- een omschrijving van de organisatie en ondersteuning van het onderwijs voor leerlingen die een orthopedagogische en -didactische benadering nodig hebben en van de overdracht van de deskundigheid op dit gebied tussen de scholen;
- indien het betreft een samenwerkingsverband zonder school of afdeling voor praktijkonderwijs een omschrijving van de wijze waarop de bevoegde gezagsorganen van dat samenwerkingsverband afspraken hebben gemaakt over het verzorgen van praktijkonderwijs ten behoeve van de leerlingen van hun scholen die voor dat onderwijs in aanmerking komen met bevoegde gezagsorganen van andere samenwerkingsverbanden;
- een reglement voor de permanente commissie leerlingenzorg;
- een omschrijving van de wijze waarop de ouders van leerlingen die een orthopedagogische en -didactische benadering nodig hebben informatie wordt verstrekt over de wijze waarop aan de zorg voor deze leerlingen uitvoering wordt geven, alsmede over permanente commissie leerlingenzorg èn over de te verwachten resultaten.
Voorbeelden voor een zorgplan zijn beschikbaar bij het Procesmanagement Voortgezet Onderwijs (PMVO) en de Pedagogische Centra.
7. Medezeggenschap
Het samenwerkingsverband zal in elk geval in de loop van de eerste jaren van zijn functioneren een ontwikkeling doormaken. Of en zo ja in welke mate de te nemen beslissingen de belangen van leerlingen en/of personeel raken hangt mede af van de specifieke omstandigheden van de scholen en de samenwerkingsverbanden.
Met de volgende beslissingen worden bevoegd gezag en school in ieder geval geconfronteerd:
- de keuze voor een samenwerkingsverband;
- de juridische vorm en het reglement van het samenwerkingsverband;
- in het mavo en vbo: de keuze van het onderwijsaanbod en het eventueel aanbieden van een gemengde leerweg;
- in het vbo: de keuze van de afdelingen en het aanbod van intrasectorale programma's;
- in het voormalig ivbo: de keuze voor leerwegondersteunend onderwijs of praktijkonderwijs;
- in het svo: eventueel een besluit tot fusie met een vo-school; de keuze voor leerwegondersteunend onderwijs, praktijkonderwijs of opdc;
- het aanbod van het zorgonderwijs in de school;
- het jaarlijks vast te stellen zorgplan van het samenwerkingsverband.
Elk van deze beslissingen heeft een of meer raakvlakken met de medezeggenschapsaangelegenheden als genoemd in de artikelen 6 t/m 9 WMO. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van de aangelegenheid, het advies of de instemming van de MR, of van het personeelsdeel of ouderdeel van de MR vereist is alvorens de besluiten worden genomen. Ook zal de informatieverplichting van het bevoegd gezag op grond van artikel 5, vijfde lid, WMO in een aantal gevallen aan de orde zijn. Met betrekking tot de wijze van besluitvorming en te volgen procedure zijn de artikelen 11 en 12 WMO en eventuele bepalingen in het medezeggenschapsreglement van de school van belang. Zie voor toelichting en jurisprudentie met betrekking tot de genoemde wettelijke bepalingen deel I-2100 van deze bundel.
8. Netwerken vmbo
Om scholen te ondersteunen bij de invoering van de leerwegen stelt de minister van onderwijs middelen ter beschikking voor het vormen van netwerken vmbo, waarbij de behoeften en vragen van de scholen centraal staan (Regeling aanvullende vergoeding netwerken vmbo, Uitlegregelingen 1999 nr. 12/13).
Het betreft hier een aanvullende vergoeding van fl. 20.000 per school en per schooljaar gedurende twee jaar. Het bevoegd gezag dient zelf ook een bedrag van fl. 20.000 te investeren in het netwerk.
Er is een beperkt budget beschikbaar. De aanvraag - in te dienen bij de minister - dient een projectvoorstel te bevatten waarvan de elementen in artikel 5 van de hierboven genoemde regeling nader worden genoemd. De toekenning van de aanvullende vergoeding voor het tweede netwerkjaar is afhankelijk van de uitkomst van een voortgangsgesprek dat na het eerste jaar met de bevoegde gezagsorganen van het netwerk wordt gehouden.
Voor nadere informatie kan men terecht bij PMVO, Lange Voorhout 14, 2514 ED Den Haag, tel. 070-302 8200.
