Publicaties
Procederen: welke kosten zijn hieraan verbonden?
mr. A. Cluitmans-Souren, oktober 1998.
Een MR of een GMR kan het initiatief nemen om een procedure te beginnen bij de geschillencommissie en bij de civiele of de administratieve rechter. De (G)MR kan ook door een ander, bijvoorbeeld het bevoegd gezag, in een procedure worden betrokken. Dit artikel gaat in op met name de kosten die hiermee kunnen samenhangen.
Voorzieningen in de school waarover de MR mag beschikken.
In artikel 32 van de WMO is bepaald dat het bevoegd gezag de medezeggenschapsraad het gebruik toestaat van de voorzieningen waarover het bevoegd gezag kan beschikken, en die de medezeggenschapsraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. Zo mag de medezeggenschapsraad bijvoorbeeld gebruik maken van de vergaderruimte, de telefoon, de frankeermachine en de fotokopieerapparatuur die in de school aanwezig zijn. Ook de geledingenraden, de deelraden en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden mogen van deze voorzieningen gebruik maken.
De Wet op de ondernemingsraden biedt meer faciliteiten.
In de Wet op de ondernemingsraden (WOR) is ten aanzien van de in de hiervoor genoemde faciliteiten een identieke regeling opgenomen. Anders dan in de WMO heeft de wetgever in de WOR daarnaast uitdrukkelijk voorzien in een regeling ten aanzien van de kosten van het raadplegen van een deskundigen en het voeren van rechtsgedingen. Deze kosten komen voor rekening van de ondernemer, mits de kosten redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de ondernemingsraad, en de ondernemer van de te maken kosten vooraf in kennis is gesteld. Indien de ondernemer bepaalde kosten niet voor zijn rekening wenst te nemen, dan kan de ondernemingsraad zich voor bemiddeling tot de bedrijfscommissie wenden en daarna eventueel voor een beslissing tot de Kantonrechter.
De ondernemer en de ondernemingsraad kunnen ook met elkaar een afspraak maken over een jaarlijks toe te kennen eigen budget van de ondernemingsraad, welk budget de ondernemingsraad naar eigen inzicht kan besteden. Moet de ondernemingsraad kosten maken waardoor het budget wordt overschreden dan kan de ondernemingsraad vragen of de ondernemer deze extra kosten voor zijn rekening neemt. Echter, de ondernemer kan dit weigeren, en in dit geval is het niet mogelijk een beslissing van de Kantonrechter te vragen. Ondernemingsraden wordt daarom ontraden een budget voor de kosten van het voeren van rechtsgedingen met de ondernemer overeen te komen.
Met welke proceskosten kan de MR worden geconfronteerd?
Zoals hiervoor vermeld heeft de wetgever in de WMO niet voorzien in een regeling met betrekking tot de kosten van de medezeggenschapsraad in verband met het raadplegen van deskundigen en het voeren van rechtsgedingen. De vraag laat zich stellen met welke kosten de MR in een procedure bij de geschillencommissie alsmede bij de burgerlijke en de administratieve rechter geconfronteerd kan worden.
De commissiekosten.
Aan de behandeling van een geschil door de commissie voor geschillen zijn voor partijen geen commissiekosten, zoals bijvoorbeeld griffierechten, verbonden. Bedacht moet hierbij worden dat aansluiting van een school bij een geschillencommissie voor het bevoegd gezag de verplichting meebrengt tot betaling van een contributie aan de rechtspersoon die de betreffende commissie in stand houdt, en dat het bevoegd gezag voor de kosten van aansluiting van de school bij een geschillencommissie van rijkswege subsidie ontvangt.
Bijstand van een advocaat bij de geschillencommissie.
Evenals het bevoegd gezag kan de medezeggenschapsraad zich in een procedure bij de geschillencommissie laten bijstaan door een advocaat. Hiertoe geldt geen verplichting; dit neemt niet weg dat het wenselijk kan zijn dat de MR zich van rechtsbijstand voorziet. Het probleem hierbij is dat de kosten van een advocaat in beginsel ten laste van de MR komen nu de wetgever in de WMO hierover niets heeft bepaald. De MR kan zich wel tot de Raad voor rechtsbijstand wenden om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtsbijstand in samenhang met een toevoeging. Of de MR daadwerkelijk voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking komt, hangt af van de wijze waarop de betreffende Raad voor rechtsbijstand de toevoegingscriteria uitlegt alsook van de financiële draagkracht van de MR.
In het licht van artikel 32 van de WMO kan het bevoegd gezag tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand gehouden zijn.
Het is voorgekomen dat een medezeggenschapsraad de geschillencommissie als een interpretatiegeschil de vraag voorlegde of het bevoegd gezag de kosten van rechtsbijstand, die de MR had gemaakt, diende te vergoeden. De uitspraken van de Geschillencommissies voor het katholiek onderwijs en van de Landelijke geschillencommissie voor het openbaar onderwijs komen erop neer dat het bevoegd gezag in het licht van artikel 32 van de WMO gehouden is in bepaalde gevallen over te gaan tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van de MR. Blijkens de uitspraken van deze commissies moeten hierbij in het bijzonder in aanmerking worden genomen de aard van het onderwerp waarvoor de MR bedoelde bijstand wenst, de alternatieven die de MR ter beschikking staan en de omvang van de kosten, die redelijk moet zijn. Voorts dient de MR zich vooraf in te spannen om in aanmerking te komen voor kosteloze of gefinancierde rechtsbijstand.
Geschillencommissie kan het bevoegd gezag niet veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de MR.
Ook heeft het zich in het kader van de behandeling van instemmings- en adviesgeschillen voorgedaan dat de MR de geschillencommissie vroeg het bevoegd gezag te veroordelen in de proceskosten van de MR, met name in de kosten van rechtsbijstand. De overwegingen ter zake van de Geschillencommissies voor het katholiek onderwijs en van de Landelijke geschillencommissie voor het openbaar onderwijs komen erop neer dat de geschillencommissie niet bevoegd is over een dergelijk verzoek te oordelen nu de geschillen waarvan zij kennis kan nemen limitatief zijn opgesomd in de WMO. Denkbaar zou zijn dat de MR zich tot de burgerlijke rechter wendt met een verzoek dat ertoe strekt dat het bevoegd gezag de proceskosten van de MR als gevolg van de procedure bij de geschillencommissie vergoedt.
Procedures bij de civiele rechter.
Het is voorgevallen dat een MR bij de burgerlijke rechter vorderde dat aan het bevoegd gezag werd verboden uitvoering te geven aan de uitspraak van de geschillencommissie. Niet alleen nà een uitspraak van de geschillencommissie kan de weg naar de burgerlijke rechter open staan. De MR kan, op grond van het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van de WMO, bij de burgerlijke rechter, te weten de Kantonrechter, naleving vorderen door het bevoegd gezag van de uit de wet voortvloeiende verplichtingen jegens de MR. Zo kan de MR vorderen dat het bevoegd gezag voor een bepaald te nemen besluit instemming of advies aan de MR vraagt òf dat het bevoegd gezag voldoet aan zijn verplichtingen betreffende de scholing van de leden van de MR dan wel het verstrekken van informatie aan de MR.
De MR kan op basis van artikel 25 van de WMO voorts om een voorlopige voorziening vragen bij ofwel de Kantonrechter (artikel 116 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) ofwel de President van de Rechtbank (artikel 289 Rv).
Bij de Kantonrechter mogen partijen zelf verschijnen; er bestaat derhalve geen verplichte vertegenwoordiging. Dit is anders waar het gaat om procedures bij de Rechtbank.
Een regel van procesrecht is dat de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de andere partij kan worden veroordeeld. Op grond van het bepaalde in artikel 25, derde lid, van de WMO is het uitgesloten dat de MR in de proceskosten van de andere partij wordt veroordeeld; de wetgever heeft dit uitdrukkelijk niet gewild.
De MR draagt in beginsel wel de eigen proceskosten; in een civiele procedure kan de MR de rechter vragen het bevoegd gezag te veroordelen in de proceskosten van de MR. De MR dient er rekening mee te houden dat in civiele procedures griffierechten zijn verschuldigd.
Procedures bij de bestuursrechter
De invoering van de WMO 1992 èn de wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie in samenhang met de Algemene Wet Bestuursrecht hebben gevolgen gehad voor de rechtsbescherming in medezeggenschapsgeschillen in het openbaar onderwijs.
De uitspraken van de Landelijke Geschillencommissie voor het openbaar onderwijs kunnen bij de bestuursrechter, in eerste instantie bij de Rechtbank en in tweede instantie bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, worden aangevochten.
Daarbij komt dat het bevoegd gezag van een openbare school ingevolge het bepaalde in de Algemene Wet Bestuursrecht een bestuursorgaan is. Tegen sommige besluiten van een bestuursorgaan kunnen belanghebbenden in een bezwarenprocedure opkomen. Vervolgens is beroep bij de Rechtbank en in tweede instantie beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State mogelijk.
Het heeft zich voorgedaan dat uitspraken van de Landelijke Geschillencommissie direct of indirect aan het oordeel van de Rechtbank werden onderworpen.
Een MR van een openbare school kan voorts op basis van artikel 8:81 van de Algemene Wet Bestuursrecht een voorlopige voorziening aan de President van de Rechtbank vragen.
Bij de bestuursrechter geldt geen verplichte vertegenwoordiging. Op grond van het bepaalde in artikel 25, derde lid, van de WMO kan de MR in een procedure bij de bestuursrechter niet in de proceskosten van de andere partij worden veroordeeld.
De MR draagt in beginsel wel de eigen proceskosten; de MR kan de bestuursrechter vragen de andere partij hierin te veroordelen. De MR moet er rekening mee houden dat in een procedure bij de bestuursrechter griffierechten zijn verschuldigd.
Enige bijzonderheden betreffende de procesbevoegdheid.
In artikel 25, vierde lid, van de WMO is opgenomen dat de MR op verzoek van een geleding van de MR optreedt indien de rechten van die geleding specifiek aan de orde zijn. In de wetsgeschiedenis is aangegeven dat het beginsel van ongedeelde medezeggenschap meebrengt dat alleen de MR als geheel bij de gewone rechter geschillen aanhangig kan maken, en voorts dat artikel 25, vierde lid, van de wet ertoe strekt dat op verzoek van één geleding van de MR wordt geprocedeerd.
Een dergelijke bepaling ontbreekt ten aanzien van het aanbrengen van een geschil bij de geschillencommissie.
In dit verband komt de vraag op of alleen de MR als geheel een geschil bij de geschillencommissie aanhangig kan maken. Zo is de vraag gerezen of één geleding van de MR een interpretatiegeschil aan de geschillencommissie kan voorleggen. In de literatuur is verdedigd dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een stelsel te construeren waarin de MR als één orgaan in rechte optreedt, en dat de geschillencommissie door aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever ten aanzien van artikel 25, vierde lid, van de wet in bepaalde gevallen een oplossing binnen bereik heeft.
De wetgever heeft evenmin de deelraad de bevoegdheid gegeven als geschilpartij op te treden.
Door sommigen is de stelling verdedigd dat met de overdracht van de uitoefening van de bevoegdheid aan de deelraad ook de bevoegdheid om op te treden als geschilpartij is overgedragen, maar daarvoor is in de wet geen steun te vinden.
Met deze stelling spoort ook niet het bepaalde in artikel 10.27, derde lid, van de Wet op het hoger en wetenschappelijk onderwijs.
Immers, het instellingsbestuur of de MR legt het geschil voor aan de geschillencommissie, tenzij het instellingsbestuur of de MR van mening is dat het geschil kan worden opgelost zonder tussenkomst van de geschillencommissie.
De wetgever heeft zich er niet over uitgelaten of op verzoek van de deelraad door de MR moet worden geprocedeerd.
Wellicht zou naar analogie van het bepaalde in artikel 25, vierde lid, van de WMO in het medezeggenschapsreglement kunnen worden bepaald dat de MR op verzoek van de deelraad optreedt, indien en voor zover het de bevoegdheden betreft die door de MR ter uitoefening aan de deelraad zijn overgedragen.
