Publicaties

Initiatiefrecht van de MR op grond van de WHW

Geplaatst op woensdag 15 augustus 2007 15:21

mr. A. Cluitmans-Souren, augustus 1998.

In artikel 10.19, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) is ten aanzien van het initiatiefrecht van de medezeggenschapsraad (MR) bepaald dat de MR over alle gelegenheden die de instelling betreffen aan het instellingsbestuur voorstellen kan doen en standpunten kenbaar kan maken. Voorts is hierin bepaald dat het instellingsbestuur op de voorstellen, als hiervoor bedoeld, binnen drie maanden een schriftelijke, met redenen omklede reactie dient uit te brengen aan de MR in de vorm van een voorstel.

Deze regeling wijkt af van het bepaalde in de WMO 1992 ten aanzien van het initiatiefrecht van de MR in die zin dat op het bevoegd gezag in het hoger onderwijs de verplichting rust tijdig en gemotiveerd te reageren in de vorm van een voorstel. In de Memorie van Toelichting (1) overweegt de Staatssecretaris terzake '....zodat daarop het gehele medezeggenschapsregime, inclusief geschillenregeling van toepassing kan zijn'. In een later stadium van de parlementaire behandeling van hoofdstuk 10 van de WHW (2) komt de Staatssecretaris op de hiervoor aangehaalde passage terug als volgt.
'De leden van de D'66-fractie vragen zich af of de MR de mogelijkheid heeft de geschillencommissie in te schakelen bij een spontaan advies dat wordt gegeven op grond van artikel 10.19, tweede lid, dat door het instellingsbestuur niet wordt opgevolgd. Op grond van het bepaalde in artikel 10.27, eerste lid, van de WHW (3) behoort dit niet tot de bevoegdheden van de MR. Op grond van het bepaalde in tweede lid (4) zou een geschillencommissie in haar reglement echter kunnen bepalen dat zij ook in dergelijke gevallen een geschil behandelt....'.
In lijn met het bepaalde in de WMO 1992 maakt artikel 10.27, tweede lid, van de WHW het mogelijk dat de commissie voor geschillen kennis neemt van 'andere' geschillen tussen het instellingsbestuur en de MR dan de vier categorieën geschillen die in de wet zelf zijn omschreven.
Wie een dergelijk geschil aanhangig kan maken - instellingsbestuur en/of MR - en of hierbij om bemiddeling dan wel om een oordeel van de commissie voor geschillen kan worden verzocht, bepaalt het medezeggenschapsreglement (5).
Voorwaarde voor de toepassing van de regeling van de 'andere' geschillen is dat ook het reglement van de commissie voor geschillen de behandeling van deze 'andere' geschillen mogelijk maakt. De reglementen van de meeste commissies voor geschillen openen die mogelijkheid.
Twee commissies voor geschillen is inmiddels verzocht een uitspraak te doen over de precieze betekenis van het bepaalde in artikel 10.19, tweede lid, van de WHW.

Instellingsbestuur wijst initiatiefvoorstel MR af

Medio 1996 diende de MR van een hogeschool een initiatiefvoorstel als bedoeld in artikel 10.19, tweede lid, van de WHW bij het instellingsbestuur in. Dit initiatiefvoorstel houdt in de voorzitter van het College van Bestuur te ontslaan en een extern bureau opdracht te geven onderzoek te doen naar de gewenste organisatie van het bestuur van de hogeschool, in elk geval op centraal niveau.
Het instellingsbestuur reageert hierop schriftelijk in dier voege dat het instellingsbestuur zijn vertrouwen uitspreekt in de voorzitter van het College van Bestuur, en voorts dat met de MR is afgesproken dat een eventueel nieuw onderzoek door een extern bureau zou plaatsvinden op grond van de uitkomsten en de daaraan door het instellingsbestuur verbonden conclusies van een pas afgerond onderzoek door Bureau X. Het instellingsbestuur sluit zijn schriftelijke reactie af met de mededeling niet voornemens te zijn de voorstellen van de MR over te nemen, en voorts dat de MR in de gelegenheid wordt gesteld om hierover met het instellingsbestuur overleg te voeren.
Na een overleg van het instellingsbestuur met de MR laat het instellingsbestuur de MR schriftelijk weten dat het instellingsbestuur zijn voorstel, inhoudende dat het zich niet voorneemt een besluit te nemen als door de MR voorgesteld, handhaaft.
Vervolgens wendt de MR zich tot de commissie voor geschillen met het verzoek het bepaalde in artikel 10.19 van de WHW uit te leggen, en maakt in samenhang hiermee bovendien een adviesgeschil bij de commissie aanhangig (6).
Het interpretatiegeschil houdt verband met het aangemelde adviesgeschil voor zover het betrekking heeft op de vraag of de MR op grond van de WHW dan wel het medezeggenschapsreglement naar aanleiding van het voorstel van het instellingsbestuur om het voorstel van de MR niet over te nemen bij de commissie voor geschillen een adviesgeschil ter behandeling kan aanbrengen.
Voorts betreft het interpretatiegeschil de vraag of er naar aanleiding van het voorstel van het instellingsbestuur om niet een extern bureau opdracht te geven tot het doen van een onderzoek sprake is van een besluit waarvoor de instemming van de MR is vereist en zo ja, of dit besluit, bij gebreke van instemming van de MR of een beslissing van de commissie voor geschillen, kan worden uitgevoerd.
De MR stelt zich op het standpunt dat de reactie van het instellingsbestuur om het initiatiefvoorstel van de MR, inhoudende het ontslag van de voorzitter van het College van Bestuur, niet over te nemen, dient te worden aangemerkt als een besluit om de voorzitter van het College van Bestuur niet te ontslaan. Dit besluit valt volgens de MR onder de aangelegenheid 'aanstelling of ontslag van de leden van het College van Bestuur' ten aanzien waarvan de MR op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement over het adviesrecht beschikt.
De MR voert aan dat het instellingsbestuur in strijd met het bepaalde in de wet handelt door niet een voorstel voor advies aan de MR voor te leggen, en voorts dat het besluit van het instellingsbestuur niettemin moet worden gezien als een besluit ten aanzien waarvan de MR een adviesgeschil aanhangig kan maken.
Het instellingsbestuur stelt dat de MR in zijn verzoek om een adviesgeschil in behandeling te nemen niet ontvankelijk is omdat in de WHW met betrekking tot de competentie van de commissie voor geschillen niet is opgenomen een geschil naar aanleiding van het niet overnemen van een initiatiefvoorstel van de MR, en voorts dat in het medezeggenschapsreglement noch in het reglement van de commissie voor geschillen is voorzien in de mogelijkheid een 'ander' geschil aan te melden.
De commissie voor geschillen overweegt dat de schriftelijke reactie van het instellingsbestuur, inhoudende de mededeling dat het zijn voornemen om niet een besluit te nemen als door de MR voorgesteld, handhaaft, dient te worden aangemerkt als een reactie in de vorm van een voorstel, als bedoeld in de tweede volzin van artikel 10.19, tweede lid, van de WHW.
Naar het oordeel van de commissie valt een dergelijk voorstel onder het regime van de medezeggenschap van de MR; afhankelijk van het onderwerp van het voorstel kan aan de MR op grond van de WHW en het medezeggenschapsreglement advies- dan wel instemmingsrecht toekomen. Het gegeven dat een voorstel als het onderhavige, inhoudende dat het initiatiefvoorstel niet wordt overgenomen, erop neerkomt dat de bestaande toestand niet wordt gewijzigd, staat naar het oordeel van de commissie aan de toepassing van het medezeggenschapsregime niet in de weg. Een andere opvatting kan immers tot gevolg hebben dat aan het initiatiefrecht van de MR geen betekenis toekomt. Dit nu acht de commissie, gezien in het licht van de omstandigheid dat de wetgever het initiatiefrecht van de MR heeft willen versterken door uitdrukkelijk aan te geven dat het instellingsbestuur dient te reageren in de vorm van een voorstel, niet aanvaardbaar.
De commissie overweegt hierbij dat de mogelijkheid van de MR om een adviesgeschil aan te melden op zichzelf genomen niet tot een onredelijk resultaat kan leiden omdat de commissie bij haar oordeel of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven, gebonden is aan de vier toetsingsmaatstaven als in de WHW genoemd.
De commissie concludeert dat op elk voorstel van het instellingsbestuur als reactie op een initiatiefvoorstel van de MR met betrekking tot één van de onderwerpen waarvoor de medezeggenschapsraad adviesrecht heeft het medezeggenschapsregime, inclusief de geschillenregeling van toepassing is.
Het voorstel van het instellingsbestuur om de voorzitter van het College van Bestuur niet te ontslaan, valt naar het oordeel van de commissie onder de aangelegenheid 'aanstelling en ontslag van de leden van het College van Bestuur' ten aanzien waarvan de MR op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement adviesrecht heeft.
Strikt genomen houdt dit in dat het instellingsbestuur zijn voorstel voor advies aan de MR had moeten voorleggen. Pas nadat de MR terzake negatief zou hebben geadviseerd en het instellingsbestuur zou hebben besloten zijn voorstel te handhaven, zou voor de MR de gang naar de commissie open hebben gestaan.
De commissie is echter van mening dat in het onderhavige geval niet kan worden gezegd dat de MR in de aanmelding van het adviesgeschil niet ontvankelijk is omdat de MR niet eerst is verzocht advies uit te brengen met betrekking tot het voorstel van het instellingsbestuur, en de MR ook geen advies heeft uitgebracht.
De commissie komt tot dit oordeel omdat het voorstel van het instellingsbestuur niet meer inhoudt dan een afwijzing van hetgeen door de MR is voorgesteld, en de standpunten van partijen ten aanzien van het voorzitterschap van de voorzitter van het College van Bestuur voldoende helder zijn.
De commissie overweegt hierbij onder meer dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de meningen van partijen over en weer voldoende uitgekristalliseerd zijn, en een advies van de MR naar aanleiding van het bestreden voorstel van het instellingsbestuur daar niets meer aan zou hebben toegevoegd.
De commissie acht zich dan ook bevoegd kennis te nemen van het adviesgeschil, en verklaart de MR ontvankelijk in zijn verzoek aan de commissie dit geschil in behandeling te nemen.
Na een toetsing aan de in een adviesgeschil aan te leggen beoordelingsmaatstaven komt de commissie in het adviesgeschil tot het oordeel - hier kort samengevat - dat het instellingsbestuur bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de MR niet heeft gehandeld in strijd met het bepaalde bij of krachtens de WHW of het medezeggenschapsreglement, niet onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van het advies van de MR is afgeweken, niet onzorgvuldig heeft gehandeld ten opzichte van de MR en bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen.
Ten aanzien van het interpretatiegeschil met betrekking tot het besluit van het instellingsbestuur niet een extern bureau opdracht te geven tot het doen van een onderzoek naar de gewenste reorganisatie van het bestuur van de hogeschool oordeelt de commissie dat zij de MR niet kan volgen in zijn standpunt dat dit besluit valt onder de aangelegenheid 'fundamentele wijziging van de organisatie van de instelling' ten aanzien waarvan de MR op grond van het bepaalde in het medezeggenschapsreglement over het instemmingsrecht beschikt. De commissie overweegt hierbij dat het enkele besluit tot het (niet) geven van een opdracht tot het doen van een onderzoek nog niet een fundamentele wijziging van de organisatie van de hogeschool betreft; slechts indien op grond van meer concrete plannen besluiten worden genomen die betrekking hebben op een fundamentele reorganisatie van de instelling kan er sprake zijn van een fundamentele wijziging van de organisatie van de instelling.

Instellingsbestuur kan zich op hoofdlijnen vinden in initiatiefvoorstel MR

Een andere commissie voor geschillen is in het kader van de behandeling van een instemmingsgeschil en een interpretatiegeschil gevraagd om een uitspraak te doen over de wijze waarop het College van Bestuur met een initiatiefvoorstel van de MR is omgegaan (7).
De MR heeft zijn besluit niet in te stemmen met het ondernemingsplan vergezeld doen gaan van een initiatiefvoorstel.
In reactie hierop heeft het College van Bestuur aangegeven zich op hoofdlijnen te kunnen vinden in de punten als door de MR genoemd. Voorts heeft het College van Bestuur hierbij aangegeven dat het merendeel van deze aangelegenheden reeds in ontwikkeling is.
Onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 10.19, tweede lid, van de WHW voert het College van Bestuur aan dat er naar zijn oordeel geen sprake is van een duidelijk geformuleerd initiatiefvoorstel, doch van het kenbaar maken van standpunten, hetgeen niet behoeft te leiden tot een voorstel van het instellingsbestuur.
Het College van Bestuur stelt zich op het standpunt dat de aangelegenheid betreffende het initiatiefvoorstel van de MR is afgehandeld met de mededeling van het College van Bestuur, inhoudende dat het College zich op hoofdlijnen in deze standpunten kan vinden.
De commissie voor geschillen overweegt dat de restrictieve interpretatie van het bepaalde in artikel 10.19, tweede lid, van de WHW die het College van Bestuur voorstaat, inhoudende dat geen sprake is van een initiatiefvoorstel doch slechts van het kenbaar maken van standpunten, niet in overeenstemming is met hetgeen de wetgever met het initiatiefrecht heeft beoogd, te weten een versterking van de positie van de MR. De commissie wijst er voorts op dat het College van Bestuur in de briefwisseling met de MR zelf ook meermaals het begrip initiatiefvoorstel heeft gebezigd.
De commissie overweegt verder dat zij in navolging van de Geschillencommissie medezeggenschap algemeen onderwijs hbo te Woerden van oordeel is dat in beginsel op elk voorstel van het College van Bestuur als reactie op een initiatiefvoorstel van de MR het medezeggenschapsregime, inclusief de geschillenregeling van toepassing is. Dit brengt mee dat afhankelijk van het onderwerp van het voorstel van het College van Bestuur aan de MR ingevolge het bepaalde in de WHW en het medezeggenschapsreglement advies- of instemmingsrecht toekomt.
Naar het oordeel van de commissie is de geschillenregeling 'eerst dan van toepassing indien het voorstel van het College van Bestuur inhoudt dat het initiatiefvoorstel van de MR niet wordt overgenomen, dit omdat eerst op dat moment sprake is van een geschil'.
De commissie overweegt dat het College van Bestuur in reactie op het initiatiefvoorstel van de MR heeft aangegeven dat het College zich op hoofdlijnen kan vinden in de punten als door de MR hierin genoemd, en voorts dat het merendeel van deze zaken reeds in ontwikkeling is.
Omdat het voorstel van het College min of meer op één lijn kan worden gesteld met een goedkeuring van het initiatiefvoorstel van de MR komt de commissie tot de slotsom dat er ten aanzien van het initiatiefvoorstel van de MR tussen partijen geen geschil is gerezen.

Noten

1. Memorie van toelichting, TK 23 944, nummer 3, pagina 6.
2. Nota naar aanleiding van het verslag van 3 maart 1995, TK 23 944, nummer 5, pagina 22.
3. Artikel 10.27, eerste lid, van de WHW luidt als volgt:
'Een commissie voor geschillen neemt kennis van geschillen in de volgende gevallen:
a. op verzoek van het instellingsbestuur, indien het instellingsbestuur ten aanzien van een, na overleg al dan niet gewijzigd, te nemen besluit dat ingevolge de artikelen 10.20 en 10.22, onder a, instemming behoeft, de vereiste instemming niet heeft verworven en het instellingsbestuur zijn voorstel wenst te handhaven;
b. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur ten aanzien van de inhoud van het medezeggenschapsreglement voor zover aangegeven in artikel 10.22, geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming heeft verworven;
c. op verzoek van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur een besluit heeft genomen waarover ingevolge de toepassing van artikel 10.22, onder b, advies door de raad is uitgebracht, het instellingsbestuur daarbij het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt en de raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de hogeschool of de belangen van de raad ernstig worden geschaad; en
d. op verzoek van het instellingsbestuur of van de medezeggenschapsraad, indien het instellingsbestuur en de raad van mening verschillen over de interpretatie van het bepaalde bij of krachtens deze titel dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement.'
4. Artikel 10.27, tweede lid, van de WHW luidt als volgt:
'De commissie kan in haar reglement bepalen dat zij kennis neemt van andere geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, dan bedoeld in het eerste lid. Artikel 10.28, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.'
5. Artikel 10.22, aanhef en sub l, luidt als volgt:
'In het medezeggenschapsreglement worden ten minste geregeld: (...)
l welke van de geschillen tussen het instellingsbestuur en de raad, waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet, worden voorgelegd aan de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, wie het geschil aanhangig kan maken en of daarbij de commissie om bemiddeling dan wel een oordeel wordt verzocht, voor zover de commissie voor geschillen waarbij de hogeschool is aangesloten, in haar reglement daarvoor de mogelijkheid biedt.'
6. Uitspraak van 13 maart 1997, nummer MV 96.008 en 97.001, van de Geschillencommissie medezeggenschap algemeen onderwijs hbo te Woerden.
7. Uitspraak van 6 april 1998, nummer M.8 (HBO/26), van de Commissie voor geschillen voor het hoger beroepsonderwijs te 's-Gravenhage.

lettergrootte: normaal | groter | extra groot
RSS nieuwsfeed
afdrukweergave