Publicaties

Informatieverschaffing aan ouders zonder gezag

Geplaatst op woensdag 15 augustus 2007 15:31

mr. Hessel Nentjes, 2003

Ouders die niet met het ouderlijk gezag zijn belast hebben recht op informatieverschaffing door scholen over de verzorging en de opvoeding van hun kind.
De school mag een verzoek om informatieverschaffing alleen weigeren als het belang van het kind zich daartegen verzet.
Het feit dat het kind ertegen is levert onvoldoende op om tot strijdigheid met zijn belang te concluderen.
Scholen doen er verstandig aan hun beleid op het punt van de informatieverschaffing in de schoolgids op te nemen.
Voor de vaststelling of wijziging van de schoolgids behoeft het schoolbestuur de instemming van de medezeggenschapsraad.

Ouderlijk gezag
De regels inzake de gevolgen van een echtscheiding zijn in de loop der jaren aan wijziging onderhevig geweest, met name
voor wat betreft de voorziening in het gezag over de minderjarige kinderen.
Tot 1984 werd aangenomen, dat na een scheiding de voogdij over de minderjarige kinderen uit het huwelijk aan slechts een
van de gewezen partners kon toekomen. In dat jaar heeft een uitspraak van de Hoge Raad het mogelijk gemaakt dat na een scheiding beide ouders het gezag over de kinderen konden behouden(1). Daarvoor moest wel aan een aantal voorwaarden
worden voldaan. Zo was een eensluidend verzoek daartoe van beide ouders aan de rechtbank noodzakelijk. De rechter
moest bij het in behandeling nemen van het verzoek nagaan of het belang van het kind zich niet tegen de voortduring van het gezamenlijk gezag zou verzetten. Een vereiste was ook dat moest blijken dat er tussen de ouders een goede verstandhouding bestond.
In 1995 is de mogelijkheid van voortzetting van het gezag na een scheiding door beide ouders in de wet opgenomen. Voor
die voortzetting was van beiden een gezamenlijk verzoek daartoe vereist. Dat verzoek kon slechts worden afgewezen op
de beperkte grond dat bij inwilliging daarvan de belangen van het kind zouden worden verwaarloosd. Vergeleken met wat
tot dat jaar binnen de grenzen van de rechtspraak van de Hoge Raad mogelijk was hield dat een verruiming in voor de
ouder die niet met het gezag was belast.
In 1998 heeft de wetgever principieel gekozen voor een andere benadering. Uitgangspunt is sedertdien dat na een echtscheiding beide ouders het gezag over de minderjarige kinderen voortzetten. Een ouder die alleen met het ouderlijk gezag wil worden
belast zal aan de rechter aannemelijk moeten maken dat dat in het belang is van het kind.
De vaste rechtspraak van de Hoge Raad hanteert als maatstaf dat het belang van het kind zich niet moet verzetten tegen de voortzetting van het gezamenlijk ouderlijk gezag (2).
De maatstaf is dus niet dat het belang van het kind positief gediend is met de voortzetting daarvan.
Dat houdt in, dat gebrek aan communicatie tussen de ouders tijdens en na een scheiding niet zonder meer rechtvaardigt dat
het ouderlijk gezag aan een van de ouders wordt toegekend. Er moet sprake zijn van een onaanvaardbaar risico en het moet
niet te verwachten zijn dat er binnen afzienbare tijd verbetering in de situatie komt.
Er kan ook sprake zijn van een extreme situatie die tot het opdragen van het gezag aan een van de ouders noodzaakt. Men
moet dan denken aan een verslaving aan alcohol of drugs, geweld of incestueuze handelingen.

Dilemma
Voortzetting van het gezag door beide ouders na een scheiding is sinds 1998 uitgangspunt. Als het gezag aan slechts
een van de gescheiden ouders wordt opgedragen, zal dat dan ook vaak plaatsvinden tegen de zin van de andere ouder.
Voor vele situaties na scheidingen van voor de wetswijziging van 1998 zal ook gelden, dat het gezag aan een van de ouders is opgedragen, terwijl de andere het daar niet mee eens was. Niet iedere ouder zal tot 1998 hebben meegewerkt aan een
gezamenlijk verzoek tot voortzetting van het ouderlijk gezag aan beide ouders, wat destijds wel een wezenlijk vereiste was.
In een aantal situaties waarbij gescheiden ouders betrokken zijn is er voor de school dan ook reden tot voorzichtigheid in het betrekken van beiden bij het schoolgebeuren van hun kind.
Aan de andere kant mag die voorzichtigheid er niet toe leiden, dat een ouder die niet met het gezag van het kind is belast
van alle schoolinformatie verstoken blijft.
De school zou ingeval van een conflict tussen de ouders de weg van de minste weerstand kunnen kiezen. De gedachte
dat zij beter ruzie kan hebben met één partij dan met twee kan dan tot de praktijk leiden dat het niet- verschaffen van welke inlichting dan ook aan de ouder die niet het gezag uitoefent de veiligste weg is.
Een dergelijke praktijk heeft als consequentie, dat de ouder die niet met het gezag belast is afhankelijk wordt van een
vetorecht van de andere ouder. Men moet zich daarbij realiseren, dat op de ouder die met het gezag is belast al een
verplichting ten opzichte van de andere ouder tot het verschaffen van informatie rust. Als de school wordt geconfronteerd met
een verzoek van een ouder, bestaat er bij de ouder die met het gezag is belast al bezwaar tegen om met gegevens over het schoolgebeuren over de brug te komen.
In een aantal situaties staat er een uiterst gevoelige situatie aan de informatieverstrekking in de weg. Die kunnen tengevolge
hebben, dat de ouder die met het gezag is belast fel gekant is tegen welke informatieverschaffing dan ook aan de andere ouder, soms met gegronde reden.
Als er bijvoorbeeld sprake is van stalking of men is bang voor een ontvoering van het kind dan kunnen de gegevens die de school verstrekt potentiële daders in de kaart spelen.
De school dreigt dan in de positie te komen, dat zij zich verplicht voelt gegevens te verstrekken die andere instanties op goede gronden onthouden. Op een procedure voor de rechter zit de school ook niet te wachten.

Recht op informatie van de school
Het recht jegens derden op informatieverschaffing voor de ouder die niet met het gezag is belast ligt nog niet zo lang vast
in ons bestel.
In 1993 nog nam de Hoge Raad aan, dat er geen recht op informatieverschaffing door derden, waaronder scholen, bestond
voor de gescheiden ouder die niet met het gezag was belast (3). Er was toen in het Parlement net een discussie gaande
over het wetsontwerp over de regeling van het ouderlijk gezag en omgang dat uiteindelijk heeft geresulteerd in de hierboven gememoreerde wetswijziging van 1995. In het recht op informatieverschaffing door de school werd in het ontwerp ook
voorzien. In het arrest werd het gegeven dat er in het Parlement die discussie plaatsvond gehanteerd als argument tegen
het bestaan van het informatierecht. Welbewust heeft toen de Hoge Raad toen niet anticiperend geïnterpreteerd.
Met de wetswijziging die in 1995 tot stand is gekomen en die de regelgeving inzake het ouderlijk gezag na een scheiding
heeft veranderd is de positie van de ouder die niet belast is met het gezag versterkt. Artikel 377 C dat toen in Boek 1 Burgerlijk Wetboek is opgenomen verplicht derden die beroepsmatig over informatie inzake belangrijke feiten en omstandigheden die
het kind of diens verzorging of opvoeding betreffen beschikken die desgevraagd moeten verstrekken aan de ouder die niet
belast is met het gezag.
Bij wie onder "derden" moet worden verstaan is uiteraard ook gedacht aan scholen.
Het recht dat art. 1:377 C BW biedt is niet ongebreideld. De "derde " behoeft de informatie niet eigener beweging te
erstrekken.
De ouder die prijs stelt op informatie over zijn kind moet er wel om vragen.
Verder hoeft de "derde"niet de informatie te verstrekken die hij aan de andere ouder ook niet behoort te geven. Het is
niet de bedoeling dat de ouder die niet met het gezag is belast een informatievoorsprong krijgt.

Als de schoolleiding van oordeel is dat het niet verstandig is bepaalde informatie te verstrekken en die informatie wordt
vervolgens geweigerd, dan kan de ouder die niet met het gezag is belast aan de rechter verzoeken te bepalen dat de
gevraagde informatie alsnog wordt verschaft.
Het artikel kent dus de verplichting voor de school om desgevraagd informatie te verstrekken inzake belangrijke feiten en omstandigheden. Die verplichting is er niet, wanneer het belang van het kind zich daartegen verzet.

Wordt de gevraagde informatie niet verstrekt, dan kan de ouder die zich door de weigering benadeeld voelt zich wenden tot
de rechter. De rechter wijst het verzoek in ieder geval af, wanneer het belang van het kind zich tegen het verschaffen van de informatie verzet.
Is de rechter echter van oordeel, dat de ouder die niet met het gezag is belast niet verstoken behoort te blijven van informatie,
dan kan die aan de derde nadere aanwijzingen geven.
Kennelijk zit in de bevoegdheid om nadere aanwijzingen te geven een beoordelingsnorm. De rechter kan vaststellen welke
gegevens wel en welke niet voor verstrekking in aanmerking komen en op welke wijze de informatie moet worden verstrekt.

Klachtencommissie
Het komt voor dat ouders die vinden dat hun ten onrechte informatie wordt geweigerd een klacht daarover indienen bij de klachtencommissie.
In art.1: 377 C BW wordt de rechtbank aangewezen als de instantie die een uitspraak kan doen over een verzoek om informatieverschaffing. Dat houdt in, dat de klachtencommissie niet de aangewezen instantie is om een uitspraak te doen
over wat wel en niet aan gegevens moet worden verstrekt aan ouders die niet met het gezag zijn belast.
De klachtencommissie zal zich op het punt van de verplichting tot informatieverschaffing dan ook geen inhoudelijke uitspraak
doen.
Inhoudelijke klachten over informatieverschaffing staan echter vaak niet op zichzelf. De manier waarop een verzoek om informatieverschaffing in behandeling is genomen door de school kan wel door de klachtencommissie worden getoetst.
Vaak zal de wijze waarop met een verzoek om informatie is omgegaan door een klager niet los gezien worden van een
weigering. Het komt voor dat de klacht dan zowel betrekking heeft op de feitelijke weigering als op de manier waarop met
het verzoek is omgegaan.
Als bijvoorbeeld de school niet of heel laat reageert op een verzoek om informatieverschaffing zal de klachtencommissie
daarover wel een uitspraak kunnen doen. Zij kan aangeven of de tijd die de school nodig had om het verzoek te behandelen
een redelijke is.
De klachtencommissie zal dat ondermeer kunnen toetsen aan de hand van wat in de schoolgids daarover is bepaald.

Het belang van het kind
Er bestaat een verplichting tot informatieverschaffing, tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet.
Als aan de school om gegevens wordt gevraagd, moet zij nagaan, of er wel gegevens aan de ouder verstrekt moeten worden. Toetssteen is daarbij het belang van het kind. Een reden om in het geheel niet tot informatieverschaffing over te gaan kan zijn,
dat een ouder aan wie de toegang tot zijn kind is ontzegd via de school toch contact probeert te krijgen. Als er informatie verschaft moet worden, moet eveneens aan de hand van het belang van het kind worden vastgesteld welke gegevens wel en welke niet verstrekt kunnen worden en zo ja op welke wijze.
De scholen die op dit punt iets hebben geregeld in de schoolgids gaan ervan uit, dat het feit dat een kind niet wil, dat er
informatie wordt verstrekt onvoldoende reden oplevert om strijdigheid met zijn belang aan te nemen. Het belang van het kind
moet dus breder worden onderbouwd dan met onwil van het kind alleen.(4)
Het belang van het kind is ook voor de rechter de maatstaf, zowel bij de beantwoording van de vraag, of de informatie moet
worden verstrekt als bij het geven van aanwijzingen over de verstrekking van de gegevens.

Beoordeling
Uit de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 9 juli 1998(5) valt af te leiden, dat verzet alleen van de ouder die belast
is met het gezag onvoldoende reden oplevert om strijdigheid met het belang van het kind aan te nemen. Dat de wel met het
gezag belaste ouder zich benadeeld voelt door het verstrekken van informatie aan de andere ouder levert een te weinig concreet bezwaar op tegen de informatieverschaffing. Er moet dus meer aan de hand zijn.
Verder wordt er in de uitspraak van uitgegaan, dat de informatie schriftelijk wordt verstrekt. De school wordt geacht zich
zo weinig mogelijk te mengen in het gezinsleven van het kind.
In de uitspraak wordt er ook van uitgegaan dat de school een beleid op het gebied van de informatieverschaffing aan ouders ontwikkelt. Zij mag niet volstaan met wachten op wat de rechter in voorkomende situaties aan aanwijzingen geeft.

De meest uitgebreide uitspraak in het kader van art. 1: 377 C BW is afkomstig van de Commissie Gelijke Behandeling
uit 1997(6).
Het ging hierin om een vader aan wie door de rechter een contactverbod was opgelegd. Er was namelijk sprake van stalking.
In samenhang daarmee had de vader de orde en de rust op de school van zijn kind verstoord. Bij een kerstviering was de vader verwijderd.
Van de weeromstuit werd hem door de school informatie onthouden om het hem onmogelijk te maken er achter te komen of er activiteiten zouden zijn waar hij zijn ex-vrouw dan wel zijn kind kon treffen. De CGB kwam tot de bevinding, dat de school met het onthouden van de informatie op een aantal punten met haar beleid
indirect onderscheid maakte naar geslacht en burgerlijke staat. Ouders die gescheiden zijn, doorgaans mannen, worden
door het beleid dat de school voerde namelijk meer getroffen dan ouders die niet gescheiden zijn.
Vervolgens oordeelde de Commissie, dat voor zover het ging om het niet verstrekken bescheiden die ten doel hadden om
de met zorg voor de kinderen belaste ouder van dienst te zijn, bijvoorbeeld adressenlijsten van medeleerlingen, er een
objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid bestond. De ondersteuning van ouders die met de zorg belast zijn leverde
volgens de Commissie Gelijke Behandeling een voldoende rechtvaardiging op om de verstrekking van de informatie tot die
groep te beperken.
Voor wat betreft het onthouden van de informatie met een algemeen karakter, zoals de maandkalender met daarop vermeld
de activiteiten van de school bestond er volgens de CGB een dergelijke rechtvaardigingsgrond niet. Dat ouders die niet belast
zijn met het gezag belangstelling hebben voor de activiteiten van de school van hun kind moet als normaal worden beschouwd.
In deze uitspraak heeft de Commissie Gelijke behandeling de objectieve rechtvaardiging gezocht in de relatie tussen de
informatie en het nut daarvan voor de ouder die met de zorg voor het kind is belast. De algemene schoolinformatie biedt aan de verzorgende ouder op dat punt geen toegevoegde waarde.
Door de vader uit te sluiten van de informatieverstrekking wordt dus onderscheid gemaakt naar burgerlijke staat.
Bij het gemaakte onderscheid moet worden nagegaan, of er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond.
Voor een aantal bescheiden ging dat volgens de CGB niet op. De maandkalender met daarop vermeld de activiteiten van de schoolkan ook van nut zijn voor die ouders die niet met het gezag over hun kind zijn belast. Voor het onthouden van ander
informatie, de adressenlijst, inzage in werkstukjes van het kind is volgens de CGB wel een objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig.
In het commentaar onder de uitspraak wordt aangevoerd, dat het belang van het kind met daartegen afgezet de door de
school getroffen maatregelen een betere rechtvaardigingsgrond was geweest voor de gesignaleerde ongelijke behandeling.
Opgemerkt wordt nog, dat de CGB de school opzadelt met een probleem. Zij moet aan de stalkende vader informatie
verschaffen waaruit hij kan afleiden, wanneer de moeder bij activiteiten op school is en vervolgens moet de school ervoor
zorgen dat de vader bij die activiteiten buiten de deur blijft.


Conclusie
Als een school met verzoeken om informatieverschaffing wordt geconfronteerd, is er vaak sprake van een netelige situatie.
Dat vereist behendig manoeuvreren.
Scholen doen er dan ook verstandig aan om op dat punt hun beleid bekend te maken in de schoolgids. Voor het wijzigen
van de schoolgids op dat punt is de instemming van de medezeggenschapsraad vereist.
Uitgangspunt moet daarbij zijn is dat het belang van het kind zich niet tegen de informatieverschaffing mag verzetten.
Aan de hand van wat er aan rechtspraak en praktijkvoorbeelden bekend is kan het belang van het kind worden ingekaderd.
Het feit dat het kind tegen de informatieverschaffing is is op zichzelf een onvoldoende reden om strijdigheid met zijn belang
aan te nemen.
Verzet van de ouder die met het gezag is belast levert op zichzelf evenmin strijdigheid met het belang van het kind op.

_______________________

1 Hoge Raad 4-5 1984, NJ 1995- 510
2 Hoge Raad 10-9 1999, NJ 2000-20 m.nt. S.W.
3 Hoge Raad 17-12 1993, NJ 1994- 332
4 Bijvoorbeeld het protocol ter zake van het Bonhoeffer College te Enschede, www.bc.enschede.nl
5 Rechtbank Rotterdam 9 juli 1998, weergegeven in FJR van september 1998
6 Commissie Gelijke Behandeling 22 december 1997, AB 1998- 159 m.nt.RH.


lettergrootte: normaal | groter | extra groot
RSS nieuwsfeed
afdrukweergave