Publicaties
Jaarverslag 2001/02 en 2002/03 Geschillen-, bezwaren- en klachtencomissies
GESCHILLENCOMMISSIES & BEZWARENCOMMISSIES & KLACHTENCOMMISSIE(S)
J A A R V E R S L A G
Commissies voor geschillen medezeggenschap katholiek onderwijs
S c h o o l j a r e n
Commissie voor geschillen decentraal georganiseerd overleg katholiek onderwijs
2 0 0 1 / 2 0 0 2
Bezwarencommissies functiewaardering katholiek onderwijs en confessioneel bve
2 0 0 2 / 2 0 0 3
Klachtencommissie(s) katholiek onderwijs
redactie: Antoinette Cluitmans-Souren
november 2003
Secretariaat van de geschillen-, bezwaren- en klachtencommissies
Postbus 82324
2508 EH Den Haag
telefoonnummer : 070-3457097
emailadres : info@geschillencies-klachtencies.nl
WEBSITE: WWW.GESCHILLENCIES-KLACHTENCIES.NL
INHOUDSOPGAVE
TEN GELEIDE
pagina 5
1 ALGEMEEN
pagina 7
2 DE BIJ DE COMMISSIES AANGESLOTEN SCHOLEN/INSTELLINGEN
pagina 9
2.1 COMMISSIES VOOR MEDEZEGGENSCHAPSGESCHILLEN
pagina 9
2.2 COMMISSIES VOOR GESCHILLEN EN ARBITRAGE DECENTRAAL
GEORGANISEERD OVERLEG
pagina 9
2.3 BEZWARENCOMMISSIE FUNCTIEWAARDERING KATHOLIEK ONDERWIJS
pagina 9
2.4 BEZWARENCOMMISSIE FUNCTIEWAARDERING CONFESSIONEEL BVE
pagina 9
2.5 KLACHTENCOMMISSIE(S)
pagina 10
3 DE SAMENSTELLING VAN DE COMMISSIES
pagina 11
4 HET SECRETARIAAT VAN DE COMMISSIES
pagina 14
5 DE GESCHILLEN, BEZWAREN EN KLACHTEN
pagina 16
5.1 DE DOOR DE GESCHILLENCOMMISSIES BEHANDELDE GESCHILLEN
MET BETREKKING TOT MEDEZEGGENSCHAP EN DGO
pagina 16
5.2 DE UITSPRAKEN VAN DE GESCHILLENCOMMISSIES KORT SAMENGEVAT
pagina 17
5.3 DE DOOR DE BEZWARENCOMMISSIES FUNCTIEWAARDERING KATHOLIEK ONDERWIJS EN
CONFESSIONEEL BVE BEHANDELDE BEZWAREN
pagina 29
5.4 DE ADVIEZEN OF UITSPRAKEN VAN DE BEZWARENCOMMISSIES FUNCTIEWAARDERING
KORT SAMENGEVAT
pagina 29
5.5 DE DOOR DE KLACHTENCOMMISSIE(S) BEHANDELDE KLACHTEN
pagina 40
5.6 DE ADVIEZEN VAN DE KLACHTENCOMMISSIE(S) KORT SAMENGEVAT
pagina 42
6 DE HUISHOUDELIJKE VERGADERINGEN VAN DE COMMISSIES EN
HET OVERLEG VAN DE VOORZITTERS VAN DE COMMISSIES
pagina 62
DE WEBSITE VAN DE GESCHILLEN-, BEZWAREN- EN KLACHTENCOMMISSIES
pagina 63
TEN GELEIDE
Voor u ligt het verslag van de werkzaamheden van de geschillen-, bezwaren- en klachtencommissie(s) voor het
katholiek onderwijs in de periode augustus 2001 tot en met juli 2003. Voor de meest recente data betreffende de
commissies kunt u de website raadplegen.
Voornoemde commissies brengen hierbij voor de eerste maal gezamenlijk één verslag van hun werkzaamheden uit.
In hoofdstuk 5 van het voorliggende verslag zijn alle uitspraken en adviezen van de commissies kort samengevat opgenomen.
In een bijlage van de Memorie van Toelichting bij de Onderwijsbegroting voor het jaar 2002 werd inzake de medezeggenschap
de toezegging opgenomen inhoudende dat de Kamer nog voor het aantreden van een nieuw kabinet een voorstel zou ontvangen
om de medezeggenschap in de onderwijssector wettelijk te verankeren. Deze toezegging is niet gestand gedaan. Bij de Onderwijsbegroting voor het jaar 2004 werd de toezegging gememoreerd.
In de voortgangsrapportage betreffende de autonomie en deregulering van 19 december 2002 schrijft minister Van der Hoeven
met betrekking tot de verbetering van de medezeggenschap in het primair onderwijs dat kleinschaligheid het primair onderwijs kenmerkt en voorts dat veel ouders een grote betrokkenheid bij de school tonen. Het is dan ook de bedoeling om de huidige medezeggenschapsstructuur, zoals vastgelegd in de WMO, te handhaven. De minister schrijft verder dat het wel de vraag is
in hoeverre het autonomie- en dereguleringsbeleid leidt tot een andere positie van de ouders in de medezeggenschap.
De WMO wordt aangepast op de nieuwe verantwoordelijkheidsverdeling die invoering van de lumpsum meebrengt, met
name ten aanzien van de GMR. De minister geeft verder aan dat er in het voorjaar van 2003 een verkenning plaatsvindt naar aanpassing van de WMO.
Wat betreft de medezeggenschap in het voortgezet onderwijs schrijft de minister in voornoemde voortgangsrapportage dat
het kabinet nagaat of de gewenste versterking van de medezeggenschap gebeurt door de invoering van de WOR, met
hieraan gepaard gaande gelijkwaardige medezeggenschap voor ouders en leerlingen, of door een model waarbij school-
besturen kunnen kiezen tussen de WOR of handhaving van de medezeggenschapsraad. Een element van de verkenning
is de uitvoerbaarheid van het keuzemodel. De minister geeft hierbij aan dat het resultaat van de verkenning begin 2003 wordt verwacht en dit betrokken wordt in het vervolgtraject van de hangende wetswijziging.
Eind 2003 laten de resultaten van de verkenning nog op zich wachten.
Dat de ouders en leerlingen èn de personeelsleden er belang bij hebben om gezamenlijk in één orgaan medezeggenschap
uit te oefenen blijkt uit de onderwerpen van de geschillen waarover de geschillencommissies in de verslagperiode werden
gevraagd te oordelen, te weten overdracht van een afdeling van de school, fusie van de school en wijziging van de lessen-
tabel van de school.
De klachtencommissie voor het katholiek onderwijs is haar werkzaamheden per 1 augustus 1998 gestart.
Het aantal aangesloten schoolbesturen is sedertdien gestaag gestegen. Op het moment van afsluiting van dit jaarverslag is
ongeveer tweederde van de schoolbesturen bij de landelijke klachtencommissie voor het katholiek onderwijs aangesloten.
Naarmate de klachtencommissie langer bestaat en er meer voorlichting wordt gegeven over het klachtrecht neemt het aantal klachten niet spectaculair toe. De klachten die overblijven zijn echter vaak complexer van aard. In het jaar 2002-2003 behan-
delde de klachtencommissie voor het katholiek onderwijs ruim negentig zaken. De onderwerpen zijn divers. Klachten over onbehoorlijk bestuur, seksuele intimidatie of over de pedagogisch-didactische handelwijze van leerkrachten of directie vormen
de meerderheid. Het overgrote deel van de klachten wordt ingediend door ouders. De klachten zijn meestal gericht tegen
één of meer leerkrachten of tegen de schoolleiding. In het primair onderwijs wordt de klachtencommissie meer om advies
gevraagd dan in het voortgezet onderwijs.
Met het van kracht worden van de Kwaliteitswet per 1 augustus 1998 zijn de voorschriften met betrekking tot de klachten-
regeling in de diverse onderwijswetten opgenomen. De scholen, de klagers, de aangeklaagden en de klachtencommissies
hebben met de klachtenregeling inmiddels vijf jaar ervaring opgedaan.
Het IVA Tilburg voerde in het jaar 2000 een eerste onderzoek uit naar de werking van het klachtrecht. Dit onderzoek wees
uit dat de juridische functie van de klachtenregeling veel nadruk had gekregen en dat de ontwikkeling van de communicatie-
en signaalfunctie van de klachtenregeling achterbleef.
In 2003 deed het IVA Tilburg een vervolgonderzoek naar de ervaringen van scholen en klagers met de klachtenregeling en
met de dienstverlening van de klachtencommissies.
Blijkens de resultaten van het vervolgonderzoek steken scholen nog te weinig energie in het verbeteren van de onderlinge communicatie op het niveau van de school om zo klachten te voorkomen.
Een andere bevinding van de onderzoekers is dat de klachtencommissies meer voorlichting moeten geven en zij meer gebruik moeten maken van de mogelijkheid de school te adviseren over de te treffen maatregelen.
De onderzoekers bevelen de scholen aan het natraject van de behandeling van een klacht door de klachtencommissie te
verbeteren in die zin dat de school het advies van de klachtencommissie ook daadwerkelijk vertaalt in concrete maatregelen. Bovendien wordt de scholen aanbevolen te communiceren met de klager over de maatregelen die de school heeft genomen.
Een alarmerend signaal in het advies Een voorwerp van aanhoudende zorg, dat de Onderwijsraad eind november 2003 aan
de minister heeft uitgebracht, is dat veel ouders zich geen raad weten met hun zorgen over het onderwijs. Ze geven aan dat
ze ofwel nergens terecht kunnen met hun zorgen ofwel dat ze niet weten waar ze met hun zorgen terecht kunnen. In het
advies doet de Onderwijsraad aanbevelingen om een en ander te verbeteren.
De Onderwijsraad geeft in het advies onder meer aan dat de directbetrokkenen via de formele kanalen van de medezeg-
genschap en van het klachtrecht hun zorgen kunnen uiten en dat de raad het daarom van groot belang vindt dat deze
kanalen in de toekomst voldoende blijven bestaan en zo nodig worden versterkt.
Uit het advies blijkt ook dat ouders zich onvoldoende gehoord voelen en voorts dat zij vinden dat de communicatie en de
relatie met de school verbeterd kunnen worden. Dit kunnen aanwijzingen zijn dat bestaande mechanismen als de mede-
zeggenschap en het klachtrecht niet optimaal werken en/of dat de drempels hiervoor te hoog zijn. Zo kan gewerkt worden
aan meer transparantie over de huidige klachtenregeling, de soorten klachten die binnenkomen en de wijze waarop ze
afgehandeld worden. Oplossingen moeten volgens de Onderwijsraad echter niet alleen in formele procedures gezocht
worden. Met name het onderhouden van goede, meer informele communicatielijnen met de ouders is van groot belang.
Een versterking van zowel de meer informele als de formele kanalen ligt volgens de Onderwijsraad voor de hand.
Verwacht mag worden dat de ontwikkelingen die de Onderwijsraad schetst hun weerslag zullen hebben op de inhoud
van de werkzaamheden van de geschillen- en klachtencommissies.
's-Gravenhage, november 2003
1 ALGEMEEN
DE COMMISSIES VOOR MEDEZEGGENSCHAPSGESCHILLEN VOOR HET KATHOLIEK ONDERWIJS
Voor het katholiek primair en speciaal onderwijs zijn twee commissies voor medezeggenschapsgeschillen ingesteld,
waarbij de voorzitter en de leden van de ene commissie fungeren als respectievelijk plaatsvervangend voorzitter en plaats-
vervangende leden van de andere commissie en omgekeerd.
De werkkring van de twee commissies is als volgt:
De werkzaamheden van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal onderwijs
in Noord-Nederland strekken zich uit over alle aangesloten scholen in de provincies Groningen, Friesland, Drenthe,
Overijssel, Flevoland, Gelderland, Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland.
De werkzaamheden van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal onderwijs
in Zuid-Nederland strekken zich uit over alle aangesloten scholen in de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.
Voor het beroepsonderwijs, de volwasseneneducatie en het voortgezet onderwijs functioneren de commissies voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs in Noord-Nederland en in Zuid-Nederland.
De werkkring van de twee commissies is identiek aan die van de commissies voor het funderend onderwijs.
Voor het katholiek hoger beroepsonderwijs is de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek
hoger beroepsonderwijs ingesteld.
DE COMMISSIE VOOR GESCHILLEN EN ARBITRAGE DECENTRAAL GEORGANISEERD OVERLEG VOOR HET
KATHOLIEK ONDERWIJS
De commissie voor geschillen en arbitrage decentraal georganiseerd overleg neemt kennis van geschillen met betrekking
tot zaken die behoren tot de competentie van het decentraal georganiseerd overleg (DGO).
Tot de competentie van het DGO behoren de aangelegenheden van algemeen belang voor de bijzondere rechtstoestand
van het personeel waarover door of namens het bevoegd gezag overleg wordt gevoerd met de daarvoor in aanmerking
komende personeelsorganisaties.
Bij de commissie voor geschillen en arbitrage decentraal georganiseerd overleg katholiek onderwijs zijn aangesloten de scholen/instellingen die ressorteren onder een bevoegd gezag dat is aangesloten bij een van de in de Vereniging van Besturenorganisaties van Katholieke Onderwijsinstellingen (VBKO) verenigde besturenbonden,tenzij het bevoegd gezag
van een school/ instelling schriftelijk verklaart dat de betreffende school/instelling niet wenst te zijn aangesloten bij de
commissie.
De VBKO en de Centrales van overheids- en onderwijspersoneel (Centrales) zijn overeengekomen om zoveel mogelijk
personele unies tot stand te brengen tussen de geschillencommissies medezeggenschap katholiek onderwijs en de
commissie voor geschillen en arbitrage decentraal georganiseerd overleg katholiek onderwijs.
Er functioneert één commissie voor geschillen en arbitrage decentraal georganiseerd overleg voor het katholiek primair
onderwijs en voor het katholiek beroepsonderwijs en voortgezet onderwijs.
DE BEZWARENCOMMISSIE FUNCTIEWAARDERING VOOR HET KATHOLIEK ONDERWIJS
De bezwarencommissie functiewaardering behandelt bezwaren van werknemers tegen de beschrijving en/of waardering
van hun functie en/of de gevolgde procedure.
Er is één bezwarencommissie functiewaardering ingesteld voor het katholiek primair onderwijs, speciaal onderwijs,
voortgezet onderwijs, verzorgingsinstellingen en centrale diensten. De werkzaamheden van de commissie strekken
zich uit over alle aangesloten scholen/instellingen.
Bij de commissie zijn aangesloten de scholen/instellingen die ressorteren onder een bevoegd gezag dat is aangesloten
bij de VBKO tenzij het bevoegd gezag bij aangetekend schrijven aan de VBKO heeft bericht af te zien van aansluiting
bij de commissie.
DE BEZWARENCOMMISSIE FUNCTIEWAARDERING CONFESSIONEEL BVE
Voor de BVE-sector is door de Stichting Rechtspraak en Geschillen Confessioneel BVE de Bezwarencommissie
functiewaardering confessioneel BVE ingesteld. De medewerkers van het secretariaat van de geschillen-, bezwaren-
en klachtencommissies voor het katholiek onderwijs ondersteunen sedert 2000 de Bezwarencommissie functie-
waardering confessioneel BVE.
In dit jaarverslag zal ook aandacht worden besteed aan de werkzaamheden van deze commissie.
DE KLACHTENCOMMISSIE(S) VOOR HET KATHOLIEK ONDERWIJS
Het secretariaat ondersteunt eveneens de klachtencommissie(s) voor het katholiek onderwijs. Op de werkzaamheden
van de klachtencommissies zal in dit jaarverslag worden ingegaan.
2 DE BIJ DE COMMISSIES AANGESLOTEN SCHOLEN/INSTELLINGEN
2.1 COMMISSIES VOOR MEDEZEGGENSCHAPSGESCHILLEN
Op grond van het bepaalde in artikel 18 van de Wet medezeggenschap onderwijs 1992 en in artikel 10.26 van de Wet op
het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek geldt voor elke school/instelling als subsidievoorwaarde dat deze is
aangesloten bij een commissie voor medezeggenschapsgeschillen.
Aansluiting van de school/instelling bij de commissie geschiedt door middel van de indiening van een door het bevoegd
gezag ondertekende verklaring bij de betrokken Bond van schoolbesturen; uit deze verklaring dient te blijken dat het bevoegd
gezag de medezeggenschapsraad op de door de wet of het medezeggenschapsreglement voorgeschreven wijze heeft
geraadpleegd over de aansluiting.
Uitgaande van de teldatum 1 oktober 2002 zijn bij de commissies voor medezeggenschapsgeschillen aangesloten:
Aantal scholen/instellingen en leerlingen:
| Instellingen | Leerlingen | |
| Primair onderwijs en speciaal onderwijs | 2.399 | 578.588 |
| Beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs | 251 | 375.470 |
| TOTAAL | 2.650 | 954.058 |
Bij de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek hoger beroepsonderwijs zijn 5 instellingen aangesloten.
2.2 COMMISSIE VOOR GESCHILLEN EN ARBITRAGE DECENTRAAL GEORGANISEERD OVERLEG
Uitgaande van de teldatum 1 oktober 2002 zijn bij de commissie voor geschillen en arbitrage dgo aangesloten:
Aantal scholen/instellingen en leerlingen:
| Instellingen | Leerlingen | |
| Primair onderwijs en speciaal onderwijs | 2.399 | 578.588 |
| Beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs | 236 | 317.506 |
| TOTAAL | 2.635 | 896.094 |
2.3 BEZWARENCOMMISSIE FUNCTIEWAARDERING KATHOLIEK ONDERWIJS
Uitgaande van de teldatum 1 oktober 2002 zijn bij de bezwarencommissie functiewaardering katholiek onderwijs aangesloten:
| Instellingen | Leerlingen | |
| Primair onderwijs en speciaal onderwijs | 2.399 | 578.588 |
| Beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs | 236 | 317.506 |
| TOTAAL | 2.635 | 896.094 |
2.4 BEZWARENCOMMISSIE FUNCTIEWAARDERING CONFESSIONEEL BVE
Bij de bezwarencommissie functiewaardering confessioneel bve zijn 33 instellingen aangesloten.
2.5 KLACHTENCOMMISSIE(S) KATHOLIEK ONDERWIJS
Uitgaande van de teldatum 1 oktober 2002 zijn bij de klachtencommissie(s) aangesloten:
Aantal scholen/instellingen en leerlingen:
| Instellingen | Leerlingen | |
| Primair onderwijs en speciaal onderwijs | 1.792 | 418.155 |
| Beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs | 238 | 186.296 |
| TOTAAL | 2.030 | 604.451 |
3 DE SAMENSTELLING VAN DE COMMISSIES
De heer J. Nouwen, lid van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal
onderwijs in Zuid-Nederland en plaatsvervangend lid van de commissie voor geschillen en arbitrage en dgo voor het
katholiek onderwijs en de bezwarencommissie functiewaardering voor het katholiek onderwijs, is wegens het bereiken
van de leeftijd van 70 jaren per 1 augustus 2002 teruggetreden. De heer Nouwen heeft de functie van (plaatsvervangend)
lid van de commissies bijna 20 jaren vervuld.
Op maandag 4 februari 2002 bereikte het secretariaat het verdrietige bericht van het overlijden van de heer A. Hermes
op 31 januari 2002. De heer Hermes vervulde het voorzitterschap van de klachtencommissie voor het katholiek onderwijs
vanaf 1 maart 2001.
Op maandag 6 mei 2002 bereikte het secretariaat het verdrietige bericht van het overlijden op 4 mei 2002 van de heer E.
Wiersema. De heer Wiersema heeft de functie van voorzitter van de bezwarencommissie functiewaardering confessioneel
bve 2 jaren vervuld. Daaraan voorafgaand heeft de heer Wiersema vele jaren de functie van secretaris van de commissie
vervuld.
In het begin van het schooljaar 2001/2002 heeft de heer A. van Bree zijn lidmaatschap van de klachtencommissie beëin-
digd.
Per 1 december 2001 heeft mevrouw drs. D. Cheriex haar lidmaatschap van de klachtencommissie beëindigd.
Per 1 januari 2002 heeft mevrouw mr. M. de Jong-Overtoom het voorzitter- schap van de klachtencommissie in Noord-
Nederland neergelegd.
Per 1 augustus 2002 heeft de heer mr. ing. M. van Rooyen zijn lidmaatschap van de klachtencommissie beëindigd.
De samenstelling van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair- en speciaal onderwijs
in Noord-Nederland is in de verslagperiode als volgt geweest:
Voorzitter: mr. J. Vrakking (Naarden);
mr. A. Jurgens (Mierlo);
Lid: mr. J. de Kok (Leidschendam), gekozen door de bevoegde gezags- organen, sedert 1 januari 2002;
Plv. lid: mr. G. Prick (Heerlen), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Lid: mr. A. Kortmann-Huysmans (H. Landstichting), gekozen door de medezeggenschapsraden;
Plv. lid: dhr. J. Nouwen (Hoorn), gekozen door de medezeggenschapsraden, tot 1 augustus 2002;
mr. dr. W. Beurskens (Maastricht), gekozen door de medezeggen- schapsraden, sedert 1 augustus 2003.
De samenstelling van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal onderwijs in Zuid-Nederland is in de verslagperiode als volgt geweest:
Voorzitter: mr. A. Jurgens (Mierlo);
mr. J. Vrakking (Naarden);
Lid: mr. G. Prick (Heerlen), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Plv. lid: mr. J. de Kok (Leidschendam), gekozen door de bevoegde gezags- organen, sedert 1 januari 2002;
Lid: dhr. J. Nouwen (Hoorn), gekozen door de medezeggenschapsraden, tot 1 augustus 2002;
mr. dr. W. Beurskens (Maastricht), gekozen door de medezeg- genschapsraden, sedert 1 augustus 2003;
Plv. lid: mr. A. Kortmann-Huysmans (H. Landstichting), gekozen door de medezeggenschapsraden.
De samenstelling van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek beroepsonderwijs, volwassen-
eneducatie en voortgezet onderwijs in Noord-Nederland is als volgt geweest:
Voorzitter: mr. A. Jurgens (Mierlo);
mr. J. Vrakking (Naarden);
Lid: mr. J. de Kok (Leidschendam), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Plv. lid: mr H. Zurlohe (Haarlem), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Lid: dhr. P. Voskamp (Zwolle), gekozen door de medezeggenschapsraden, sedert 1 mei 2003;
Plv. lid: mr. P. Pruymboom-Wagenaar (Son), gekozen door de medezeggen- schapsraden.
De samenstelling van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs in Zuid-Nederland is als volgt geweest:
Voorzitter: mr. J. Vrakking (Naarden);
mr. A. Jurgens (Mierlo);
Lid: mr. H. Zurlohe (Haarlem), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Plv. lid: mr. J. de Kok (Leidschendam), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Lid: mr. P. Pruymboom-Wagenaar (Son), gekozen door de medezeggenschapsraden;
Plv. lid: dhr. P. Voskamp (Zwolle), gekozen door de medezeggenschapsraden, sedert 1 mei 2003.
De samenstelling van de commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek hoger beroepsonderwijs is als volgt geweest:
Voorzitter: mr. A. Jurgens (Mierlo);
mr. J. Vrakking (Naarden);
Lid: mr. J. de Kok (Leidschendam), gekozen door de bevoegde gezags- organen;
Plv. lid: mr. H. Zurlohe (Haarlem), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Lid: dhr. P. Voskamp (Zwolle), gekozen door de medezeggenschapsraden, sedert 1 mei 2003;
Plv. lid: mr. dr. W. Beurskens (Maastricht), gekozen door de medezeggenschapsraden.
De samenstelling van de commissie voor geschillen en arbitrage decentraal georganiseerd overleg katholiek onderwijs is als volgt geweest:
Voorzitter: mr. A. Jurgens (Mierlo);
mr. J. Vrakking (Naarden);
Lid: mr. H. Zurlohe (Haarlem), gekozen door de bevoegde gezagsorganen;
Plv. lid: mr. J de Kok (Leidschendam), gekozen door de bevoegde gezags-
organen;
Lid: dhr. J. Nouwen (Hoorn), gekozen door de medezeggenschapsraden, tot 1 augustus 2002;
mr. dr. W. Beurskens (Maastricht), gekozen door de medezeggen- schapsraden, sedert 1 augustus 2003;
Plv. lid: dhr. P. Voskamp (Zwolle), benoemd door de personeelsorganisaties, sedert 1 mei 2003.
De samenstelling van de bezwarencommissie functiewaardering voor het katholiek onderwijs is als volgt geweest:
Voorzitter: mr. A. Jurgens (Mierlo);
mr. J. Vrakking (Naarden);
Lid: mr. J. de Kok (Leidschendam), voorgedragen door de bevoegde gezagsorganen;
Plv. lid: mr. H. Zurlohe (Haarlem), voorgedragen door de bevoegde gezagsorganen;
Lid: dhr. P. Voskamp (Zwolle), benoemd door de personeelsorganisaties, sedert 1 mei 2003;
Plv. lid: dhr. J. Nouwen (Hoorn), gekozen door de medezeggenschapsraden, tot 1 augustus 2002;
mr. dr. W. Beurskens (Maastricht), gekozen door de medezeggenschapsraden, sedert 1 augustus 2003.
De samenstelling van de bezwarencommissie functiewaardering confessioneel bve is als volgt geweest:
Voorzitter: dhr. E. Wiersema (Ommen) tot 4 mei 2002;
Plv. voorzitter: drs. W. van Schelven (Den Haag);
Lid: dhr. B. de Louweren (Breda), voorgedragen door de bevoegde gezagsorganen;
Plv. lid: mr. E. de Jager (Nunspeet), voorgedragen door de bevoegde gezagsorganen;
Lid: dhr. P. Voskamp (Zwolle), voorgedragen door de personeelsorganisaties;
Plv. lid: drs. A. van Kleef (Oss), voorgedragen door de personeelsorganisaties.
De samenstelling van de klachtencommissie(s) voor het katholiek onderwijs is in de verslagperiode als volgt geweest:
Voorzitter: dhr. A. Hermes (Veghel) tot 31 januari 2002;
mr. H. Laumen (Cadier en Keer);
mr. F. Veenhof (Haarlem);
mr. J. Vrakking (Naarden) sedert 1 februari 2002;
mw. mr. M. de Jong-Overtoom (Heemstede) tot 1 januari 2002;
Leden: dhr. H. Berben (Heerlen);
mw. drs. A. van Besouw-Corbey (Den Haag);
dhr. A. van Bree (Echt) tot september 2001;
drs. J. van Bree (Hoensbroek);
mw. drs. D. Cheriex (Zoetermeer) tot 1 december 2001;
drs. W. Claasen (Eindhoven);
mw. mr. M. Donkers (Veldhoven);
drs. A. van den Maagdenberg (Mook);
dhr. J. Montanus (Voorburg) ;
mr. ing. M. van Rooyen (Borne) tot 1 augustus 2002;
mw. H. Sachse-Bonhof (Leidschendam);
dhr. W. Schillings (Heerlen);
mr. H. Zurlohe (Haarlem).
4 HET SECRETARIAAT VAN DE GESCHILLEN-, BEZWAREN- EN KLACHTENCOMMISSIE(S)
Aan het secretariaat zijn als medewerkers verbonden:
mw. mr. A. Cluitmans-Souren, algemeen secretaris;
mw. mr. M. de Bont-Hanenkamp, adjunct-secretaris geschillen- en bezwarencommissies;
dhr. mr. H. Nentjes, adjunct-secretaris klachtencommissies;
dhr. M.G. Stamm, adjunct-secretaris klachtencommissies;
mw. A. Khedoe-Soerdjbali, secretaresse;
mw. I. Plug, secretaresse;
mw. M. Rog, secretaresse.
Als freelance secretarissen zijn aan de klachtencommissie(s) voor het katholiek onderwijs in de verslagperiode
verbonden geweest:
dhr. mr. J. Engels;
mw. mr. M. van Geest-Kouwenhoven;
dhr. mr. S. Kooistra;
dhr. mr. drs. M. Plieger;
mw. mr. R. Steinvoort-de Groot.
De ambtelijk secretarissen ondersteunen, in de meest ruime zin van het woord, de commissies bij de behandeling
van de geschillen, bezwaren en adviesaanvragen.
Tot hun taken behoren onder meer: de instructie van de aangemelde zaken in overleg met de voorzitter, het vervaardigen
van notities in meer complexe zaken, het bijwonen van de zittingen, het concipiëren van de uitspraken aan de hand van de beraadslaging door de commissie en de verzorging van de eindredactie, het opstellen van nota's van algemene aard, alsmede het volgen van de van belang zijnde ontwikkelingen in literatuur, wetgeving en rechtspraak, waartoe ook aan symposia en trainingen wordt deelgenomen.
De vaste secretarissen nemen deel aan het overleg dat periodiek plaatsvindt tussen de secretarissen van de diverse geschillencommissies respectievelijk klachtencommissie(s).
In de verslagperiode is dit overleg meerdere malen in vergadering bijeen geweest onder meer om informatie uit te wisselen
over de activiteiten van de commissies en om belangwekkende uitspraken en adviezen van de commissies te bespreken.
In de verslagperiode hebben de vaste secretarissen cursussen en inleidingen verzorgd over het behandelen van medezeggenschapsgeschillen, van klachten en van bezwaren inzake functiewaardering.
Voorts hebben zij in de verslagperiode diverse publicaties in onderwijsbladen en -uitgaven verzorgd. Ook hebben zij in de verslagperiode een brochure van de VSWO (Vereniging voor samenwerkende werkgeversorganisaties in het onderwijs) over het voorkomen van klachten mee ontwikkeld. Deze brochure is aan alle schoolbesturen en scholen in het primair en het voortgezet onderwijs toegestuurd.
DE VOLGENDE PUBLICATIES VAN DE SECRETARISSEN ZIJN IN DE VERSLAGPERIODE VERSCHENEN:
Bont-Hanenkamp, mr. M. de, Naar een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in de schoolleiding. School &
medezeggenschap, nummer 10, 2001, Kluwer, Alphen aan den Rijn.
Bont-Hanenkamp, mr. M. de en mr. A. Cluitmans-Souren, Artikelsgewijze toelichting WMO 1992, Jurisprudentie.
Handboek medezeggenschap in het onderwijs, I-2100, Kluwer, Deventer.
Cluitmans-Souren, mr. A., De bescherming van persoonsgegevens en de klachtenregeling in het onderwijs, Informatierecht en privacybescherming in het onderwijs, co-referaat voor de jaarvergadering 2001 van de Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht, NVOR-publicatie nummer 21, Den Haag.
Cluitmans-Souren, mr. A., Klachtopvang op het niveau van de school. School & medezeggenschap, nummer 11, 2002,
Kluwer, Alphen aan den Rijn.
Cluitmans-Souren, mr. A., Klachtopvang op het niveau van de school en de behandeling van klachten door de
klachtencommissie voor het katholiek onderwijs. School & Wet, nummer 5, 2002, Kluwer, Alphen aan den Rijn.
Gramberg, Peter, Reactie op kritische uitkomsten onderzoeksrapport. Klachtencommissie heeft wél belangrijke signaalfunctie. Interview van Peter Gramberg met Antoinette Cluitmans-Souren en Michiel Stamm in Schoolbestuur, jaargang 23, nummer 9, november 2003, VBKO, 's-Gravenhage.
Nentjes, mr. H., Gescheiden ouders hebben beiden recht op informatie van school, Informatieverschaffing aan ouders zonder
gezag (1), School & medezeggenschap, nummer 1, januari 2003, Kluwer, Alphen aan den Rijn.
Nentjes, mr. H., MR heeft belangrijke taak bij ontwikkelen informatiebeleid. Informatieverschaffing aan ouders zonder gezag
(2), School & medezeggenschap, nummer 2, februari 2003, Kluwer, Alphen aan den Rijn.
Nentjes, mr. H., De 'vrijwillige' ouderbijdrage. School & Wet, nummer 4, april 2003, Kluwer, Alphen aan den Rijn.
DE GESCHILLEN EN BEZWAREN
5.1 DE DOOR DE GESCHILLENCOMMISSIES BEHANDELDE GESCHILLEN MET BETREKKING TOT MEDEZEG-
GENSCHAP EN DGO.
Bij de commissie voor geschillen voor het primair en speciaal onderwijs in Noord-Nederland zijn in de verslagperiode 4 verzoekschriften ingekomen.
In de verslagperiode zijn door de commissie 2 geschillen in een zitting behandeld.
In 2 geschillen is de commissie niet bevoegd gebleken.
Gerangschikt naar soort gaat het hierbij om 1 interpretatiegeschil en 3 instemmingsgeschillen.
In 2 geschillen, waarvan de aanmeldingen dateerden uit het schooljaar 2000-2001 èn waarvan de mondelinge behandelingen plaatsvonden in het schooljaar 2000-2001, zijn door de commissie einduitspraken gedaan in het schooljaar 2001-2002.
In de 2 zaken die door de commissie in de verslagperiode mondeling zijn behandeld in een zitting heeft de commissie
einduitspraken gedaan.
Bij de commissie voor geschillen voor het primair en speciaal onderwijs in Zuid-Nederland zijn in de verslagperiode 3
verzoekschriften ingekomen.
In de verslagperiode is 1 geschil in een zitting behandeld.
2 Geschillen zijn kort vóór de mondelinge behandeling ingetrokken.
Gerangschikt naar soort gaat het hierbij om 1 instemmingsgeschil, 1 adviesgeschil en 1 interpretatiegeschil.
In de zaak die door de commissie in de verslagperiode mondeling is behandeld in een zitting heeft de commissie een
einduitspraak gedaan.
Bij de commissie voor geschillen voor het beroepsonderwijs, volwassenen- educatie en voortgezet onderwijs in Noord-
Nederland zijn in de verslag periode 2 verzoekschriften ingekomen.
De Commissie heeft 1 geschil in een zitting behandeld.
1 Geschil is kort vóór de mondelinge behandeling ingetrokken.
Gerangschikt naar soort gaat het hierbij om 2 instemmingsgeschillen.
In de zaak die door de commissie in de verslagperiode mondeling is behandeld in een zitting heeft de commissie een
einduitspraak gedaan.
Bij de commissie voor geschillen voor het beroepsonderwijs,volwassenen- educatie en voortgezet onderwijs in Zuid-Nederland
zijn in de verslag periode 5 verzoekschriften ingekomen.
In de verslagperiode zijn door de commissie 6 geschillen in een zitting behandeld; de aanmelding van 1 geschil dateerde uit
het schooljaar 2000- 2001.
Gerangschikt naar soort gaat het hierbij om 5 instemmingsgeschillen, 1 adviesgeschil en 1 interpretatiegeschil.
In 1 geschil, waarvan de aanmelding dateerde uit het schooljaar 2000-2001 èn waarvan de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in het schooljaar 2000-2001, heeft de commissie einduitspraak gedaan in het schooljaar 2001- 2002.
In de 6 zaken die door de commissie in de verslagperiode mondeling zijn behandeld in een zitting heeft de commissie
einduitspraken gedaan.
Bij de commissie voor geschillen voor het hoger beroepsonderwijs is in de verslagperiode 1 verzoekschrift ingekomen.
Dit geschil is door de commissie in de verslagperiode in een zitting behandeld.
Het gaat hierbij om een interpretatiegeschil.
De commissie heeft in deze zaak in de verslagperiode een einduitspraak gedaan.
Bij alle commissies voor medezeggenschapsgeschillen is het in de verslag periode meerdere malen voorgekomen dat de commissies wegens het spoedeisend karakter van de zaak kort na de behandeling van de zaak mondeling of schriftelijk de beslissing in verkorte vorm aan partijen meedeelden.
Bij de commissie voor geschillen en arbitrage decentraal georganiseerd overleg voor het katholiek primair en speciaal
onderwijs en voortgezet on- derwijs zijn in de verslagperiode geen geschillen ter behandeling aangemeld.
De gemiddelde termijn die verstreek tussen de aanmelding van de geschillen en de datum van de uitspraak van de geschillencommissies voor het katholiek onderwijs beliep in de verslagperiode ongeveer 2 maanden.
De gemiddelde termijn die verstreek tussen de datum van de beslissing van de commissies en de datum van de toezending
van de uitgewerkte uitspraak bedroeg in het verslagjaar ongeveer 2 maanden.
5.2 DE UITSPRAKEN VAN DE GESCHILLENCOMMISSIES KORT SAMENGEVAT.
PO SPEO NN 01/01 Commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal onderwijs in Noord-Nederland 27 juni 2001
Instemmingsgeschil met betrekking tot de personele gevolgen van een besluit tot statutenwijziging van de stichting die het
bevoegd gezag is van de school en een besluit tot het overnemen door het bevoegd gezag van een school van een bevoegd
gezag van een andere signatuur. Tengevolge van de statutenwijziging zal de stichting naast rk ook pc en interconfessionele
scholen kunnen beheren.
Ten aanzien van de bevoegdheid van de commissie.
De statutenwijziging van de stichting heeft onder meer betrekking heeft op de doelstelling en grondslag van de stichting, en
de samenstelling van het bestuur van de stichting. De commissie overweegt dat deze wijzigingen het wezen van de stichting betreffen. De identiteit van de stichting wordt verbreed: naast rooms katholiek onderwijs bevordert de stichting ook protestants-christelijk en interconfessioneel onderwijs, en haar bestuur kan voor maximaal een derde deel uit niet-katholieke bestuursleden bestaan.
Ofschoon de scholen van de het bevoegd gezag formeel niet aan een andere rechtspersoon worden overgedragen is de
commissie gelet op het hiervoor overwogene van oordeel, dat sprake is van een situatie die materieel gelijkgesteld dient te
worden met een overdracht van de school als bedoeld in artikel 7, onder e, WMO. Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef
en onder a, WMO behoeft het bevoegd gezag de instemming van het personeelsdeel van de MR voor de regeling van de
gevolgen voor het personeel van dit besluit. Nu de PMR deze instemming heeft geweigerd en het bevoegd gezag het geschil
aan de commissie heeft voorgelegd acht de commissie zich bevoegd op grond van artikel 19, eerste lid onder a, WMO van het geschil kennis te nemen.
Inhoudelijk betreffen de bezwaren van de MR het ontbreken van waarborgen met betrekking tot eventuele gedwongen
overplaatsingen van personeel naar een school van een andere denominatie. Deze bezwaren betreffen zowel de situatie waarin
een personeelslid van een rk school gedwongen over geplaatst wordt naar een interconfessionele of pc school als die waarin
een rk school geconfronteerd wordt met een gedwongen plaatsing van een personeelslid van een interconfessionele of pc school
op de rk school.
Het bevoegd gezag stelt dat aangezien op dit moment nog geen sprake is van scholen van een andere denominatie binnen de stichting een regeling waarin deze waarborgen worden neergelegd niet nodig is temeer nu voor een besluit tot overname van zo'n school in de toekomst opnieuw de instemming van de MR wordt gevraagd.
De commissie overweegt dat een besluit tot het opnemen van een school binnen de Stichting zonder dat sprake is van een besturenfusie, of een besluit tot het oprichten van een nieuwe school door het bevoegd gezag op zichzelf niet reeds een besluit is waarvoor de (P)MR op grond van de WMO een bijzondere bevoegdheid toekomt. In een situatie waar tengevolge van het opnemen
of oprichten van een school het scholenbestand van het bevoegd gezag scholen van verschillende denominaties omvat is het wel denkbaar dat het bevoegd gezag voorstellen formuleert aangaande overplaatsingsbeleid in verband met de verschillende denominaties, maar een wettelijke verplich- ting hiertoe bestaat niet.
Op grond van deze overwegingen concludeert de commissie dat niet zonder meer vast staat dat de PMR ten aanzien van
wijzigingen in het scholenbestand van het bevoegd gezag zoals hiervoor bedoeld in de positie zal zijn om medezeggenschapsrechten uit te oefenen.
De commissie acht de wens van de PMR om voor een situatie waarin sprake is van scholen van verschillende denominaties
onder één bevoegd gezag te komen tot een overplaatsingsbeleid in de hiervoor bedoelde zin op zichzelf gerechtvaardigd. Ook
het bevoegd gezag heeft het belang hiervan niet weer sproken.
Nu het bevoegd gezag ervoor gekozen heeft de mogelijkheid in zijn statuten te openen om scholen van een andere denominatie binnen zijn stichting op te nemen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de commissie van oordeel dat van het bevoegd
gezag in redelijkheid verwacht mag worden dat het tegemoet komt aan de gerechtvaardigde wens van de PMR om ter regeling
van de gevolgen voor het personeel van dit besluit schriftelijk vast te leggen welk beleid gevoerd wordt ten aanzien van gedwongen overplaatsingen waarbij de denominatie betrokken is, zulks met inachtneming van het bepaalde in de CAO PO/Raamovereenkomst PO en de daarbij behorende bijla- gen. De commissie acht de algemene toezegging van het bevoegd gezag zoals verwoord in het verzoekschrift aan de commissie en ter zitting, inhoudende dat het bevoegd gezag zich verbindt tot een maximale inspanning met het doel te voorkomen dat personeel onvrijwillig wordt overgeplaatst naar een school van een andere geloofsrichting, onvoldoende tegemoetkomen aan de bezwaren van de PMR.
PO SPEO NN 01/02 Commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal onderwijs in Noord-Nederland, 27 juni 2001
Gelijkluidend aan de uitspraak PO SPEO NN 01/01.
PO SPEO NN 02/01 Commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal onderwijs in Noord-Nederland 20 maart 2002
Interpretatiegeschil met betrekking tot artikel 5, vijfde lid, WMO
Heeft de MR ten behoeve van de beoordeling van de inzet van de formatie en van de beleidsvoornemens van het bevoegd
gezag ten aanzien van de school op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied de jaarrekening en de begroting redelijkerwijs nodig?
De commissie gaat er in haar uitspraak van uit dat bedoeld zijn de jaar rekening, zijnde de staat van baten en lasten, met toelichting, en de balans met toelichting, alsmede de begroting van de bij het geschil betrokken school.
De commissie overweegt overeenkomstig de uitspraak CRK-BVE VO 99/2 van 27 mei 1999. Blijkens de Memorie van
Toelichting bij artikel 5, vijfde lid, WMO 1981 van welk artikel de eerste volzin gelijkluidend is aan de laatste volzin van
artikel 5, vijfde lid, WMO 92, gaat de wetgever ervan uit dat de MR in het algemeen over dezelfde informatie zal kunnen
beschikken als het bevoegd gezag. Voorts ontleent de commissie aan de behandeling in de Tweede Kamer van het wets-
voorstel WMO 92 dat het wetsvoorstel ertoe strekt het personeel in de school over het geheel genomen medezeggenschap-
srechten te bieden die ten minste gelijkwaardig zijn aan die van het personeel in ondernemingen. De commissie gaat na
welke de verplichtingen van een onder- nemer zijn ten aanzien van het verstrekken van financiële informatie op grond van
de Wet op de ondernemingsraden. Voor niet-commerciële instellin- gen en verenigingen met een ondernemingsraad geldt
het Besluit financiële informatie aan ondernemingsraden 1985. Op grond van dit besluit is de ondernemer verplicht jaarlijks ongevraagd binnen zes maanden na afloop van het boekjaar ter bespreking aan de ondernemingsraad de jaarstukken
betreffende de rechtspersoon te verstrekken. De commissie wijst ook nog op de CAO VO 1998-99, artikel B1, onder 4,
waarin is bepaald dat de werkgever aan het personeelsdeel van de (G)MR dan wel het DGO de voor de beoordeling van het formatieplan noodzakelijke informatie verstrekt, waaronder de begroting en de jaarrekening. Ten aanzien van de vraag of de
MR deze informatie nodig heeft voor de beoordeling van het formatieplan van de school overweegt de commissie, dat het
formatieplan zelf zeer beknopt is en dat de bevoegdheid van de MR mede omvat het kunnen doen van voorstellen ten aanzien
van een eventuele andere inzet van de formatie. De commissie acht met het oog hierop inzicht in de financiële situatie van
de school noodzakelijk. Aangezien het hier een school betreft die op declaratiebasis wordt bekostigd voegt de commissie
aan haar overwegingen in verband met de verwijzing naar de CAO VO nog toe, dat het gegeven dat in het voortgezet
onderwijs een lumpsum financiering geldt niet afdoet aan haar redenering. Te minder omdat inmiddels blijkens de toekenning
van het schoolbudget O&O van overheidswege verdere ontwikkelingen in gang zijn gezet om in het kader van het streven naar deregulering en autonomievergroting te komen tot een vereenvoudigd bekostigingsstelsel voor het primair onderwijs met meer beleidsvrijheid voor het bevoegd gezag.
De commissie stelt vast dat artikel 5, vijfde lid, laatste volzin, WMO aldus dient te worden uitgelegd dat ten behoeve van de
vervulling van zijn taak de MR de balans, de staat van baten en lasten alsmede de begroting de school betreffend redelijkerwijs
nodig heeft.
PO SPEO NN 03/01 Commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair en speciaal onderwijs in Noord-Nederland 5 juni 2003
Instemmingsgeschil met betrekking tot het rookbeleid dat geldt voor de onder het bevoegd gezag ressorterende scholen
De (P)GMR heeft zijn instemming onthouden aan een bestuursvoorstel tot wijziging van het rookbeleid. Op grond van de
Wet van 18 april 2002 tot wijziging van de Tabakswet 1988 zijn werkgevers onder meer verplicht met ingang van 1 januari 2004 zodanige maatregelen te treffen dat werknemers in staat worden gesteld hun werkzaamheden te verrichten zonder daarbij hinder
of overlast van roken door anderen te ondervinden. Het voorstel van het bevoegd gezag behelst het doen gelden van een algeheel rookverbod voor de schoolgebouwen én het streven naar rookvrije schoolterreinen tijdens, één uur voor en één uur na de reguliere schooltijden en de buitenschoolse activiteiten. Op de schoolterreinen is roken bij hoge uitzondering toege- staan, mits dit zoveel mogelijk buiten het zicht van de leerlingen en de bezoekers geschiedt.
Op grond van het medezeggenschapsreglement is de instemming van de personeelsgeleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad vereist voor een te nemen besluit inzake de vaststelling van de regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden.
Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of de gemeenschappe- lijke medezeggenschapsraad het onderdeel van het bestuursbesluit dat betrekking heeft op het rookvrij maken van de schoolterreinen ter beslissing kan overlaten aan de afzonde-
rlijke medezeggenschapsraden.
De commissie overweegt dat het geschil een voorstel tot wijziging van de regels op het gebied van de arbeidsomstandigheden betreft. In artikel 12, aanhef en onder b, van het medezeggenschapsreglement van de gemeenschappe- lijke medezeggenschaps-
raad is bepaald dat het bevoegd gezag de vooraf gaande instemming van de GMR behoeft voor elk te nemen besluit met
betrekking tot de vaststelling of de wijziging van de regels op het gebied van de veiligheid, de gezondheid en het welzijn.
Uit het bepaalde in artikel 28, lid 1, in samenhang met het bepaalde in artikel 28, lid 6, van de WMO volgt dat indien de
afzonderlijke medezeggenschapsraden aan de GMR bijzondere bevoegdheden hebben overgedragen de GMR in de
plaats treedt van de afzonderlijke medezeggenschapsraden, in- dien het gaat om een aangelegenheid die van gemeen-
schappelijk belang is. De wetgever heeft niet omschreven wat verstaan moet worden onder een 'aangelegenheid van gemeenschappelijk belang'.
Aangezien het in geschil zijnde bestuursbesluit inzake het geclausuleerde rookverbod voor de schoolterreinen álle scholen
van het bevoegd gezag raakt, is de commissie van oordeel dat het in casu gaat om een aangelegen heid van gemeen-
schappelijk belang in de hiervoor bedoelde zin.
De commissie betrekt in haar beschouwing dat het wettelijk systeem van artikel 28 van de WMO wel ruimte laat voor een
'dubbel' instemmingsrecht van de GMR en de afzonderlijke medezeggenschapsraden. In dat geval heeft de GMR instemmings-
recht met betrekking tot een beginselbesluit inzake een aangelegenheid die van gemeenschappelijk belang is voor alle scholen
én heeft daarnaast de afzonderlijke medezeggenschapsraad instemmingsrecht met betrekking tot de uitwerking van een
zodanig beginselbesluit op de meer concrete onderdelen die uitsluitend van belang zijn voor de afzonderlijke school.
In aanmerking genomen de aard en de inhoud van het bestreden bestuurs- besluit is de commissie van oordeel dat in casu
geen sprake is van een beginselbesluit dat op schoolniveau nadere uitwerking zou behoeven. De commissie acht zich derhalve bevoegd om van de inhoud van het voorgelegde geschil kennis te nemen en daarop te beslissen.
Tussen partijen is in confesso dat er in de schoolgebouwen een algeheel rookverbod zal gelden. Partijen houdt verdeeld
dat er op bepaalde tijden een rookverbod geldt voor de schoolterreinen. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld dat personeelsleden ook buiten de reguliere schooltijden niet mogen roken op het schoolplein.
De GMR stelt dat de wetgever schoolbesturen niet verplicht ook de school terreinen rookvrij te maken.
Het bevoegd gezag brengt naar voren dat het de gezondheid van alle betrok- kenen wil beschermen en dat het de pedago-
gische opdracht heeft bij leerlingen gezond gedrag te bevorderen. Voorts voert het bevoegd gezag aan dat de leerkrachten
en de overige personeelsleden een belangrijke voorbeeldfunctie vervullen bij het bevorderen van gezond gedrag van de leer-
lingen.
De commissie leidt uit de wetsgeschiedenis van de Wijziging van de Tabaks- wet af dat alhoewel de wetgever schoolbesturen
niet verplicht school terreinen rookvrij te maken hij schoolbesturen daartoe wel stimuleert. De wetgever geeft namelijk aan van mening te zijn dat schoolterreinen rookvrij behoren te zijn en voorts dat schoolbesturen via zelfregulering in overleg met de personeelsleden, de ouders en/of de leerlingen dienen te komen tot gedragsregels voor het verantwoord omgaan met roken op
de schoolterreinen.
Uit de inhoud van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is aan de commissie gebleken dat het gaat om een
streven van het bevoegd gezag naar rookvrije schoolterreinen daar het personeelsleden bij hoge uitzondering is toegestaan op
de schoolterreinen te roken, mits dit zoveel mogelijk geschiedt buiten het zicht van de leerlingen en de bezoekers.
Het bevoegd gezag heeft aangegeven dat als flankerend bestuursbeleid geldt dat de personeelsleden die willen stoppen met
roken zich hierbij kunnen laten begeleiden door de arbodienst. Ter zitting heeft het bevoegd gezag toegezegd dat er in overleg
met de arbodienst oplossingen gezocht zullen worden voor personeelsleden die het niet lukt om te stoppen met roken.
In het licht van het feit dat het om een streven van het bevoegd gezag gaat en mede in aanmerking genomen de inhoud van het flankerend beleid dat het bevoegd gezag voornemens is te voeren, acht de commissie het in de rede liggen dat er na één jaar
een evaluatie plaatsvindt van de besluiten die het bevoegd gezag in het kader van het rookbeleid neemt.
De commissie constateert dat de GMR niet heeft weersproken dat het bevoegd gezag en de school een pedagogische opdracht hebben uit te voeren en even min dat de leerkrachten en de overige personeelsleden een belangrijke voor beeldfunctie vervullen
bij het bevorderen van gezond gedrag van de leerlingen.
De commissie komt tot de conclusie dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel inzake het rook beleid heeft kunnen komen, met dien verstande dat het bevoegd gezag zijn definitieve besluiten terzake in overeenstemming brengt met de overwegingen van de commissie betreffende de evaluatie.
PO SPEO ZN 02/01 Commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek primair- en speciaal onderwijs in Zuid-Nederland 5 juli 2002
Instemmingsgeschil over een voorgenomen fusie van twee scholen
De MR heeft ingevolge het medezeggenschapsreglement in afwijking van de WMO een instemmingsbevoegdheid ten aanzien
van het fusievoorstel.
Het betreft twee scholen van een bestuur. Van school A loopt het leerlingenaantal terug terwijl school B groeit en inmiddels
twee noodlokalen in gebruik heeft. De MR van school B heeft niet ingestemd met de fusie.
De commissie stelt vast dat er qua leerlingenaantallen geen noodzaak tot fusie is, aangezien het leerlingenaantal van beide
scholen zich ruim boven de opheffingsnorm bevindt. De commissie overweegt voorts als volgt. De visie van het bevoegd
gezag met betrekking tot de huisvesting is niet een- duidig. Enerzijds verklaart het bevoegd gezag zijn beleid te richten
op renovatie van het gebouw van A, anderzijds stelt het eigenlijk één school onder één dak te willen realiseren. Dat laatste
is in strijd met hetgeen het bevoegd gezag als belangrijkste reden voor de fusie aandraagt: de betere mogelijkheden die één
school biedt voor leerlingenspreiding over de verschillende locaties, alsook met de toekomstvisie die het bevoegd gezag in
een notitie heeft weergegeven waarin het de voorkeur uitspreekt voor handhaving van onderwijsactiviteiten op twee locaties.
Voorts heeft de MR van school A ingestemd met het voorstel op voorwaarde dat er een onderwijslocatie behouden blijft
in de wijk waar deze school staat. De commissie overweegt dat de huisvesting een belangrijk onderdeel van een fusiebesluit
is, zeker als dit inhoudt een verplaatsing van de school of overplaatsing van leerlingen of personeel.
Ten aanzien van het argument van het bevoegd gezag dat de fusie zal bevorderen dat voor beide scholen één onderwijskundige
visie ontwikkeld kan worden, overweegt de commissie dat zij uit de overgelegde stukken en een verklaring van het bevoegd
gezag ter zitting afleidt dat de onderwijs- kundige visies van de scholen onderling niet wezenlijk verschillen. Voorts is de
MR van school B niet tegen een meerschoolse directie en bestaat er bij deze school de bereidheid om afspraken te maken over overheveling van personele en financiële middelen naar school A. Het bevoegd gezag erkent dat de fusie geen formatief voordeel oplevert en een klein financieel nadeel.
Alles overziende komt de commissie tot de conclusie dat het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het voorstel heeft kunnen komen.
BVE VO NN 03/01 Commissie voor medezeggenschapsgeschillen voor het katholiek beroepsonderwijs, volwasseneneducatie en voortgezet onderwijs in Noord-Nederland 18 juni 2003
Instemmingsgeschil betreffende de lessentabel
Het bevoegd gezag stelt voor de lessentabel van de leerlingen van 3 VWO die Latijn en Grieks volgen te wijzigen. Het
|voorstel houdt in dat twee van de drie lesuren Grieks niet meer worden gecompenseerd met twee uren aardrijkskunde maar
met een uur handvaardigheid en een uur techniek. Het gevolg is dat deze leerlingen geen lessen handvaardigheid en geen
techniek meer volgen. De MR vreest dat deze wijziging vanwege de grotere studiebelasting een aanzienlijke daling tot gevolg
zal hebben van het aantal leerlingen dat Grieks kiest. Bovendien leidt de wijziging tot een eenzijdig cognitief gerichte
lessentabel.
De commissie is van oordeel dat het bevoegd gezag het terecht tot zijn verantwoordelijkheid rekent om de kwaliteit van
het onderwijs zo hoog mogelijk te houden. De gewijzigde situatie na de invoering van de Tweede Fase en het gegeven dat veel leerlingen in de Tweede Fase het profiel E&M kiezen waarin aardrijkskunde een verplicht vak is, zijn naar het oordeel van de commissie in het licht van de hiervoor genoemde verantwoordelijkheid gegronde redenen om te onderzoeken of een
aanpassing van de lessentabel zoals voorgesteld wenselijk en in de gegeven omstandigheden haalbaar is. Ten aanzien van
de bezwaren van de MR met betrekking tot de toename van de studiebelasting en de eenzijdige gerichtheid van de lessentabel overweegt de commissie dat het eigen is aan de gymnasiale opleiding dat deze een grotere studiebelasting kent en meer
cognitief gericht is. Nu landelijk gezien aardrijkskunde doorgaans in het lessenpakket van 3 VWO is opgenomen, de
commissie niet is gebleken dat de voorgestelde lessentabel zwaarder is dan die van andere VWO-scholen, en de school
de keuze heeft gemaakt lessen Latijn en Grieks niet boven op het volledige lessenpakket van 3 VWO te laten komen
juist om een te grote studiebelasting te voorkomen, komt de commissie tot de conclusie dat het bezwaar van de MR niet
gegrond is. Alternatieven zijn onderzocht maar niet haalbaar gebleken.
De commissie overweegt verder dat er voor de vrees van de MR voor terugloop van het aantal leerlingen dat Grieks kiest
geen harde aanwijzingen zijn. Ook heeft het bevoegd gezag toegezegd het besluit te heroverwegen indien er sprake is
van een aanzienlijke terugloop van het aantal leerlingen. De commissie acht het in het licht van deze toezegging in de
rede liggen dat het bevoegd gezag bij zijn besluit een evaluatiemoment vaststelt en een criterium bepaalt met betrekking
tot de grens die aan de terugloop gesteld wordt.
Ten tijde van de zitting was de datum van invoering van de nieuwe lessentabel nog niet vastgesteld. Partijen zijn het erover
|eens dat de ouders en leerlingen goed geïnformeerd moeten worden over de gewijzigde situatie
